donderdag 28 april 2016

Richard Grayson -- 29 april 1971

• De Amerikaanse schrijver Richard Grayson (1951) houdt al bijna zijn leven lang een dagboek bij. Fragmenten uit de jaren '70 staan hier online.

Thursday, April 29, 1971
A dark and drizzly day. Mom drove me to Kings Plaza this morning on her way to the store, and I took the bus from there to school.
Yesterday I ran into Norman on campus, and today I saw Bobby Cohen, and both of them said business in the store is very bad. The Pants Set is in real trouble. Now that they’ve bought out Uncle Marty and given his share to Lennie, I don’t know what they have planned to save the business. Dad’s very aggravated.
Voting in the student government election began in earnest today. The Alignment is going to win; those fascists have the yarmulke vote, and at Brooklyn College, what else counts? Elspeth, Evan, Shelli, Casey, Allan and I went out leafleting and pulling people into voting booths. It’s so degrading to have to ask people to vote for you.
Mrs. Schlissel was out sick today. Phil told me that Harold’s in the hospital with rheumatic fever, and that’s shot Harold’s campaign for vice president to pieces.
Alice said her mother was all right after the surgery. She voted for me, as did a lot of my friends. Perhaps, because I’m running on the Upper Slate this time, I may have a chance to win. But I’m not banking on it.
Tired, Shelli and I went for lunch in the SUBO Dining Room. Dr. Whipple was having a lunch for the students in SO-FED-UP, trying to tell them the Student Center will be fixed to accommodate the handicapped better. Aaron and Pam were there, and Fred Franklin has thrown SO-FED-UP’s support to their campaign. During lunch, we said hello to our friends at nearby tables: Dick Wright, Dr. Stone, Timmy and Esther.
To help the campaign, we put in an appearance at an Israeli Club get-together, talked with Stacy and some other people, and attended a ridiculous Election Commission hearing Carole convened to look into complaints and counter-complaints.
We left campus with Larry and Karen, who were going to the printers in Williamsburg; tomorrow Kingsman will come out with an endorsement, most likely of Harvey and Linda and the whole Alignment slate.
Shelli and I went to Kings Plaza and talked with Merryl in the store about business being lousy. Then we came home to bed. I entered her vagina, but she’s afraid to let me break her hymen. My beautiful baby is scared; I was too, for a minute, when I had to withdraw before I ejaculated.
Afterwards we had a quiet dinner at the Windsor Deli and I drove her home through a pouring rain. Shelli is so wonderful, so kind, so beautiful — but she’s also confused and irresponsible.

woensdag 27 april 2016

Johan Goerée de Overflacquée -- 28 april 1918

• Onder het pseudoniem Johan Goerée de Overflacquée schreef Haagsche Post-eigenaar/hoofdredacteur S.F. van Oss (1868-1949) gedurende twee jaar een dagboek, waarin de dagelijkse beslommeringen van een "welgekleede hagenaar van goeden huize" worden afgewisseld met diens visie op de wereldgebeurtenissen.

Zondag 28 April. Een heerlijke Mei-dag ; en de jonge Snerpers [aanstaande schoonzoon] reeds om 11 1/2 uur bij ons om Amalia voor de Pier af te halen, waarheen ook zelf met lijn 10, en toen met de jongelui opgewandeld. Om 3 uur met Snerpers naar het station S.S., per rijtuig, om de ouders af te halen ; en was terstond zeer gecharmeerd, en zijn moeder zeer knap, en nog jeugdig . En S . Senior een degelijk en gemoedelijk man ; en tot mijn genoegen onze politieke inzichten geheel dezelfde, hij zelfs misschien nog zwarter op het punt der dreigende belastingen dan ik . Om 6 uur ter tafel ; en was trotsch op dezelve, hebbende mijn vrouw en Amalia met ons beste linnen en zilver keurig gedekt, als ook bloemen ; en ik de beste wijnen aangesproken . Chateau Loubens, dan mijn Chateau Laffite i89o, en later nog een flesch Irroy 1904, alles hoogelijk geprezen door Senior, die een echte kenner . En de kippensoep, zalm en z jonge ganzen hoogfijn ; maar hield mijn hart vast toen de reebout moest aansnijden, en ontwaarde een luchtje . Ik zelf gepast, zeggende de dokter mij van wege neiging tot rheumatique alle wildbraad streng verboden; waarover later op onze slaapkamer veel moest hooren van mijn vrouw, dewelke mij egoïsme verweet ; en volgens haar de bout inderdaad heerlijk malsch, en de Naut gout precies goed, gemaskeerd door Jaantje met scherpe saus . Verder pudding, kaas, en ieder eenige aardbeien (f 0,20 per stuk!). En vlei mij ons onthaal een goeden indruk maakte . Na diner de verloving besproken, dewelke nu officieel dadelijk na de Pinksteren zal worden afgekondigd ; en Senior zeggende de jongelui maar niet te lang moesten dralen met in 't bootje te gaan, waarop Amalia heftig gekleurd . Na de thee met den Senior gediscussieerd over politiek, de duurte, belastingen en wijnen, en geloof wij beiden stevige vrienden te worden ; en zijn uitgenoodigd te logeeren den Zondag vóór Pinksteren . Aldus tot 1/2 11 zeer genoeglijk bij elkaar, waarop de oude lui naar hun hotel, begeleid door mijn a .s . schoonzoon. Deze dag was voor mij een zeer blijde, en gaf de gelukkige Amalia mij een extra hartelijken zoen aleer zij te bed .

Maandag 29 April. Zeer pijnlijke scheuten van rheumatique, en ietwat hoofdpijn, dewelke toeschrijf aan de lange en drukke conversatie gisteren . Maar zegt mijn vrouw het de wijn is, inzonderheid de roode en de champagne ; doch beschouw dit als steek onder water, daar beide vertrouwde merken, en in keurige conditie . Doch maakte een wandeling het bosch in, het keurige lentegroen bewonderend ; en op de Wittebrug een kop koffie genuttigd, waarna de hoofdpijn weg, en ik huiswaarts, waar de overgebleven zalm koud bij de lunch . Vervolgens naar stad . [...]

Katherine Murphy Dickson -- 27 april 1970

Katherine Murphy Dickson is een Amerikaanse schrijfster, van onder meer Diary For a Daughter August 1969 - August 1970, dat ze schreef na de geboorte van haar tweede kind.

Friday, April 24,1970
Menstruation for the first time since I became pregnant with Katherine Louise. I feel empty and anxious to do things. My dreaminess has gone. I have almost no thoughts. Denise had a baby girl Tuesday.

Saturday, April 25,1970
I was thinking yesterday about the dominant feeling of my childhood being that my mother would die. Why did I fear separation from her so much? Do all children feel that and to that extent? And I think this feeling is directly connected with my two childhood surgeries, my initial school experiences, bladder infections when I left New York and returned to Boston, and when I got married. I still don't understand it all. That plus the sort of nightmarish feeling that everything around me is coming alive or at least growing unboundedly like yeast. Or more like piles of clutter getting ever bigger. Out of control. Maybe like pieces of my own unconscious out of place. That plus the thing about feeling. They probably all fit together in some key way. My inner landscape.

Sunday, April 26,1970
Today Frank said he didn't get anything done because I spent so much time talking. I felt angry. Then I felt tarnished and as though I was soiled, needed to go to confession or turn a new leaf. He had asked me earlier if I liked being married better than being single. Afterward, I thought that it was easier to like myself when I was single. Then I wondered why. And I think it was because I didn't have to experience so much my own feelings of anger and hostility. When I feel angry with Frank or hurt by him, I don't like myself. My own negative feelings disturb me.

Monday April 27, 1970
Frank told me a strange Story about Bill Cosby and Robert Culp. Dominance passed from Culp to Cosby as the TV series [I Spy] continued.

Tuesday, April 28, 1970
A terrible beauty is born. I do feel like I am my own person again. Anything I don't do is because of myself. 1 have a vision of happiness. The binoculars. The drapes. Shopping for vacation. Frank slammed me each time. I told him so this morning. I told him that I was going to be happy in spite of him. In my heart I think I did the right thing by us both. Wrote Dot and Mother last night. I feel caught up on all my letters.

maandag 25 april 2016

Doeschka Meijsing -- 26 april 1975

Doeschka Meijsing (1947-2012) was een Nederlandse schrijfster. Deel 1 van haar dagboeken is onlangs verschenen in de Privé Domein-reeks, onder de titel En liefde in mindere mate.

Badhoevedorp, zaterdag 26 april 1975
Ik kan heel weinig. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Welja! Maar ik kan niet schrijven, geen letter krijg ik op papier. Ik kan niet neuken zoals blijkbaar de hele wereld het gewoon vindt (ik zal wel bang zijn voor seks, dat ik het alleen maar wil doen onder de vlag van 'liefde', liefde, jawel!). En ik kan niet in een gezin wonen. Marleen is een alleraardigst kind, maar waar komt dan die ergernis vandaan, dat warme hoofd dat ik krijg, die opgekropte woede? Waarom ben ik zo lelijk vanbinnen, zo haatdragend, zo alleen? Ik heb Gerda lief, god ja, zoveel, zoveel, en ik maak alles kapot door mijn zuurheid. Bij het minste geringste ben ik gekwetst, ben ik woedend, sla ik dicht met een warm hoofd. Lieve heer, ik heb geen kinderen gewild en moet mijn leven met een kind doorbrengen dat puber worden zal met alle moeilijkheden van dien, een kind dat heel aardig is maar waar ik niet mee kan leven. Wat is er toch gebeurd, vroeger, dat ik blijkbaar geen liefde geven kan? Als ik vrolijk ben, ben ik een kind, als ik treurig ben een monster.
En ik ben natuurlijk alleen, in dit huis waar niets van mij is behalve mijn liefde, die ik niet kan hanteren. De kasten, de bedden, de ramen en d deuren zijn niet van mij, hebben niets met mij te maken. de vraag is of dat in Langbroek anders zal zijn.
Ik ben heel anders dan ik vroeger dacht, ik ben veel bozer. Toen ik alleen was, kwamen alle gebreken nauwelijks boven. Mijn eiland waar ik niet over schrijven kan, mijn naamloos Antiterra. Mijn dromen, mijn kamer op de Plantage waar ik nauwelijks over te denken durf. Mijn huilen, dat hier stiekem moet. Is trouwen langzaam sterven?
Ik dacht een roman over mijn jeugd te schrijven, over Robinson, maar hij werd slecht en Gerda zei dat het slecht was en als zij het niet gezegd had was het nog slecht geweest, maar hoewel ik dat weet, geef ik Gerda de schuld.
Ik ben zo alleen. Geen thuis meer in Haarlem. Geen eiland meer op de Plantage. Alleen een dorp. Badhoevedorp of Langbroek, dat me niets zegt, waar ik nooit van gedroomd heb zoals van Amsterdam.
Daarbij houd ik zoveel van Gerda. Stel dat zij niet meer van me gaat houden; omdat ze mijn fouten ziet of omdat ik onmogelijk ben om mee samen te leven. Ik weet dat zij niet zo zal denken, dat liefde meer moet zijn. Maar ben ik wel geschikt om mee te leven? Ik ben niet volgroeid. Ik ben het kind gebleven dat door zijn moeder gekwetst is toen het heel klein was en daarna in dat opzicht nooit meer gegroeid is. Robinson, stil zijn en tegen de dingen aankijken. Geen betrokkenheid dan die van observeerder. Maar ik kan er niet over schrijven. Bovendien bestaat er al een Anton Wachter.
Lieve God, waar is alles gebleven? Heel stil zijn en kijken, het is niet eens mogelijk als je in een gezin leeft en zeventien uur Nederlandse les geeft. Ik kan dat schrijven wel vergeten. Maar waarom moet ik zo huilen? Robinson. Ik ben een kind, ben een kind, ben een kind.

zondag 24 april 2016

A.F.Th. van der Heijden -- 25 april 1993

A.F.Th. van der Heijden (1951) is een Nederlandse schrijver. In Engelenplaque. Notities van alledag publiceerde hij dagboekfragmenten uit de periode 1966-2003.

Zondag 25 april 1993 Contract voor één partij
Tijd, plaats. – Het is de avond van zondag 25 april 1993. Op mijn horloge, dat mogelijk achterloopt, is het bijna half tien. Tonio, die vandaag wat recalcitrant en huilerig was (heel zeldzaam), ligt sinds een uur in zijn stapelbed, tweede verdieping aan de straatkant. Mirjam is op haar werkkamer, begane grond, straatkant.
Ik bevind me op mijn werketage, op de kamer aan de tuinkant, de ‘zonkamer’, die ik voor de komende lente- en zomermaanden heb ingericht voor het voltooien van De tandeloze tijd 3. Beide bureaus staan nu hier: het ene, waaraan ik met mijn gezicht naar de balkondeuren zit, is er voor het handwerk; het andere, dat zijn licht van links ontvangt, fungeert als typetafel, en het is daar dat ik dit ‘contract’ schrijf, rechtstreeks op de machine.

Toestand. – Voor het eerst sinds woensdag 14 april jl. heb ik weer een dieetdag, d.w.z. elke twee uur slik ik twee capsules, die, als de handleiding niet liegt en mijn lichaam me niet bedriegt, uitzetten in de maag o.i.v. het glas water dat men erbij drinkt.
De afgelopen anderhalve week heb ik veel, en veel te veel, alcohol gedronken, voornamelijk bier, maar ook wodka, cognac, wijn. Soms viel ik laat op de avond op de bank in de huiskamer in slaap. Dit alcoholgebruik baart me zorgen, niet alleen vanwege het overgewicht dat er het gevolg van is.
Ook gisteravond, zaterdag, heb ik te veel gedronken. ’s Middags vrienden opgezocht bij de Pilserij in de Gravenstraat (in gezelschap van Tonio). Vijf à zes glazen bier. Thuis een flesje witbier. Het grootste deel van een fles witte wijn bij het voorgerecht (meloen met ham). Ruim een liter rode wijn bij het hoofdgerecht (blanquette de veau). Cognac bij de koffie met moorkop. Later weer witbier. Te veel, dit alles. Mijn herinneringen aan de afloop van de avond zijn vaag. Geminnekoosd met M. Op de bank in slaap gevallen. Tegen de ochtend wakker; M. bleek een logeerdeken over me heen te hebben gelegd. Naar bed; geslapen tot het middaguur. Lamlendig met de krant in bed blijven liggen, ook toen Mirjam en Tonio al naar het Amsterdamse Bos vertrokken waren. Grote somberheid. Angst geen greep meer te kunnen krijgen op mijn werk. Walging wegens mijn zwaarlijvigheid. Ongewassen, in t-shirt en shorts, op mijn werkkamer gaan zitten. Wat gewerkt aan de knipsels voor een geplande roman (mogelijk onderdeel van De tandeloze tijd), werktitel: De bijlslag of De chip van het Noodlot. Maar met weinig lust en overtuiging, en met een dof gevoel in mijn hoofd.

Aanleiding. – Drank, dieet, werk – ziedaar aanleiding en reden om voor mezelf dit ‘contract’ op te stellen. Aan het begin van de avond beneden op de bank gezeten wist ik opeens wat me te doen stond: harde afspraken met mezelf op schrift stellen, en zo een vruchtbare werkperiode veilig stellen. Ik ben gaan douchen, heb me aangekleed, om vervolgens naar boven te gaan.

Werk. – Dit dient voorop te staan. Zonder met iemand iets te hebben afgesproken, zonder me contractueel met Querido te hebben verbonden, wil ik proberen De tandeloze tijd 3 Tweede Boek, Onder het plaveisel het moeras, in mei volgend jaar te laten verschijnen. Dat betekent dat ik tot en met februari 1994 de tijd heb om het boek te voltooien. Hoeveel maanden zijn dat?
Eind april tot eind juli (begin van Tonio’s vakantie): drie maanden.
Half augustus tot begin oktober (Frankfurter Buchmesse, aansluitend vier weken Berlijn): anderhalve maand.
Half november tot en met eind februari: drieënhalve maand.
In totaal: acht volle maanden werktijd.
Ik stel me zo voor dat het leeuwedeel van het werk de komende drie maanden verricht gaat worden. Tamelijk woeste arbeid, bedoeld om de tors van het boek tot stand te brengen. Latere werkperiodes: verfijning en uitbreiding.
Op het hoofdstuk ‘werk’ kom ik verderop nog terug.

Dieet en alcoholgebruik. – Het overgewicht dient met meerdere middelen bestreden te worden:
1. het Zero-3-capsuledieet, dat ik tot aan de vakantie eind juli zonder onderbrekingen zou willen volhouden, en na half augustus tot begin oktober zou willen voortzetten. Ik verplicht mezelf tot niets. Dient zich een ander, en beter, dieet aan, dan kies ik daarvoor. Blijkt drie dagen per week niet eten te storend voor mijn werk, dan zorg ik op een andere manier af te vallen.
 2. Het drinken tot een absoluut minimum beperken. Ik zeg met opzet niet: ‘alle alcohol laten staan’, want ik ken de gevaren van zo’n strenge afspraak. Drank wordt dan een obsessie, de gespannenheid groeit etc. Als het nodig blijkt, dan bezwijk ik, en probeer ik de schade beperkt te houden.
3. Beweging. Elke ochtend gymnastische oefeningen op slaap- of werkkamer. Elke ochtend, en mogelijk ook later op de dag nog, hometrainer. Wandelen.
4. Zo min mogelijk zoetigheid.
5. Als het alcoholgebruik inderdaad tot het absolute minimum beperkt blijft, dan de eetlustremmende pillen weer gaan gebruiken.

Christopher Isherwood -- 24 april 1944

Christopher Isherwood (1904-1986) was een Britse, in de VS wonende schrijver. Hij hield het grootste deel van zijn leven een dagboek bij.

April 24. Am in bed. The day before yesterday, while seeing For Whom the Bell Tolls with Sudhira (who is up and about again) I developed a pile [= aambei]. I called Peggy and suggested that Bill Kiskadden should come down and cut it open for me — thinking, in the kindness of my heart, that this would be a nice treat for him, since he never gets any surgery to do in the army. So Bill came, with his little knife. It hurt like hell. I yelled clear around the block, and immediately knew I'd gotten a black mark for doing it. Bill is a spartan.
However, the pain — or rather, the discomfort: it's nothing more — is a great relief, because, for the moment, it takes the sting out ot the X. situation. You can't be in love when you have a sore behind.

Marion R. -- 23 april 1988

• Marion R. was op 1 januari 1988 16 jaar oud. Fragmenten uit haar dagboek van toen zijn opgenomen in een Duitse bloemlezing van dagboekfragmenten van jongeren.

23. April 1988
Oh Gott, gestern Abend kam ein Film im Fernsehen "mein wunderbarer Waschsalon", da hat einer die Hauptrolle gehabt, der sah aus wie Eddie. Ich kam aus dem Starren gar nicht mehr raus. (Allerdings war er im Film schwul). Dieser Schauspieler heißt Daniel Day-Lewis. Ich bin total verknallt in ihn. Und eine Superfrisur hatte er, und toll angezogen war er. Oh Gott, ich werd ganz schwach, wenn ich daran denke!!

24. April 1988
Der Prince-Film "Sign ‚o' the Times" gestern Abend war einmalig! Prince ist der größte, der beste, der genialste Musikkünstler der Welt! Sogar Julie findet Prince auf der Bühne besser als Bowie. Er hätte ganz einfach mehr zu bieten. Prince ist einfach ein Musikgenie! Und so schön! Und so süß!! Sein Lächeln, wie er immer die Augen nach oben dreht. Prince ist einfach unvorstellbar!!!!

vrijdag 22 april 2016

Hans Warren -- 22 april 1999

Hans Warren (1921-2001) was een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken zijn in vele delen gepubliceerd als 'Geheim dagboek'.

22 april — 22.45 — Sinds ik hier woon, al tweeënveertig jaar dus, haal ik iedere dag melk op de boerderij. Elke avond zette ik de bus, de volgende ochtend werd die gevuld en in de 'keête' gezet. Maar om allerlei redenen gaat Marinus zijn melkkoeien van de hand doen. Toch het einde van een tijdperk.
Gistermiddag maakten we een vogeltocht. M. was toch nog niet helemaal rijp voor het stukje dat hij voor Lampas, een tijdschrift voor classici, over het vertalen van Plato moet maken. Bij de Greveüngendarn zagen we de eerste visdiefjes van het jaar en in de Kwade Hoek hoorden we, heel even en ver weg, een nachtegaal. Er waren daar veel fitissen die uitbundig zongen, roodborstjes, zwartkopjes en prachtig jodelende wulpen. We reden ook naar het Quackjeswater, er was een koppel waakzame grauwe ganzen met zes jongen. M. vond dat ik wat beter liep.
Vanmorgen hoorde ik hier de eerste bostortel, kort voor we besloten naar John Tenney te gaan om het Mendé-beeld te halen. In m'n opwinding sloeg ik met een gordijnkoord het Ganeesja-bronsje weer van m'n bureau. M. hoorde iets vallen en reageerde woest, hoewel er niets aan het beeldje is beschadigd. Ik was een vandaal volgens hem. Ik mocht van hem geen kostbaarheden meer op m'n bureau laten staan. We zijn heel ingenomen met de nieuwe aanwinst.

woensdag 20 april 2016

Bemanning 'Oosterschelde' -- 21 april 1997

• De Oosterschelde is een Nederlandse driemastschoener gebouwd in 1917/1918. In 1996-1998 maakte zij een reis rond de wereld, waarvan het reisjournaal is gepubliceerd als Verslag van de wereldreis van de Oosterschelde. Waaruit onderstaande fragmenten.

21.4. 's Ochtends op onze pier een departure ceremony met toespraken, geschenken en een Japanse drumgroep. Vertrek om 13:10 voor Parade of Sail voor de stad. Enkele van onze liaison officers staan te huilen op de kant. Er zijn schepen bijgekomen, zoals de twee 109 meter lange Japanse schepen Nippon Maru en Kaiwo Maru. Kades weer vol mensen, we vuren een schot af.
Na afloop parade varen we naar Yamagawa, in de zuidelijke opening van de baai, 20 mijl te varen. Morgen de start van de race voor Sata Misaki (Kaap Sata). Het is een mooie kleine vissersplaats, met een lange deining op de kade. Tussen de huisjes door hangen luchtjes van eten en wierook. Bij laag water 's nachts (het is springtij) blijken de rubberen stootvormen van de kade zo hoog te komen dat de deining schade veroorzaakt aan de verschansing.

22.4. Vertrek om 08:00. Zon en frisse bries uit oostelijke richting. Start om 11:00, voor Kaap Sata. We hebben een mooie positie bovenin. De wind valt in de middag geheel weg. Pas de volgende middag komt de wind weer. Plotseling uit het niets een NE-bries die binnen een kwartier aanwakkert tot 4. Niet lang erna wordt de deining langer en hoger. Zeezieken, lekkere vaart, kruisen.
Elke dag wordt het overigens duidelijk iets kouder, steeds meer komen truien, jacks en kielen tevoorschijn. In de loop van de avond neemt de wind verder toe tot 6. Steeds langere en hogere deining. Steken rif op bezaan. Restanten van typhoon 9701 ten oosten en hogedrukgebied boven China ten NW tesamen verantwoordelijk, 's Nachts toename tot 7. Rif op grootzeil en tweede rif op bezaan. Zware deining, tot 4 meter. De zee komt boven de lijverschansing en de boegspriet gaat te water. Bezaan gestreken.
Melding NavTex: man overboord op Japans jacht 'Escape One', deelnemer aan de tocht; later ook een MOB op een ferry en nog een op een vrachtschip. Veel zeezieken. Slagzij tot 45 graden. TV-kast in het ruim dondert om.
Rond 07:30 minder wind. In de loop van ochtend meer zeil gezet en ontreefd. Uiteindelijk wind weer nagenoeg weg. Deining neemt ook af. In middag rustig weer en heerlijke zon. MOB 'Escape One' nog steeds spoorloos. Had geen zwemvest aan.
Het blijft windstil. Op 26.4 's avonds komt het bericht van inkorting van de race door. De 05:00-positie is het einde.

dinsdag 19 april 2016

Dorothy Wordsworth -- 20 april 1802

Dorothy Wordsworth (1771–1855) was een Engels dichteres en dagboekschrijfster, en de jongere zus van de dichter William Wordsworth. Haar dagboeken staan hier online.

Tuesday, 20th. — A beautiful morning. The sun shone. William wrote a conclusion to the poem of the Butterfly:—
I've watched you now a full half-hour.
I was quite out of spirits, and went into the orchard. When I came in, he had finished the poem. It was a beautiful afternoon. The sun shone upon the level fields, and they grew greener beneath the eye. Houses, village, all cheerful—people at work. We sate in the orchard and repeated The Glow-worm and other poems. Just when William came to a well or trough, which there is in Lord Darlington's park, he began to write that poem of The Glow-worm; ... interrupted in going through the town of Staindrop, finished it about 2 miles and a half beyond Staindrop. He did not feel the jogging of the horse while he was writing; but, when he had done, he felt the effect of it, and his fingers were cold with his gloves. His horse fell with him on the other side of St. Helens, Auckland. So much for The Glow-worm. It was written coming from Middleham on Monday, 12th April 1802.... On Tuesday 20th, when we were sitting after tea, Coleridge came to the door. I startled him with my voice. C. came up fatigued, but I afterwards found he looked well. William was not well, and I was in low spirits.

Wednesday, 21st. — William and I sauntered a little in the garden. Coleridge came to us, and repeated the verses he wrote to Sara. I was affected with them, and in miserable spirits. The sunshine, the green fields, and the fair sky made me sadder; even the little happy, sporting lambs seemed but sorrowful to me. The pile wort spread out on the grass a thousand shiny stars. The primroses were there, and the remains of a few daffodils. The well, which we cleaned out last night, is still but a little muddy pond, though full of water.... Read Ferguson's life and a poem or two....

Thursday, 22nd. — A fine mild morning. We walked into Easedale. The sun shone. Coleridge talked of his plan of sowing the laburnum in the woods. The waters were high, for there had been a great quantity of rain in the night. I was tired and sate under the shade of a holly tree that grows upon a rock, and looked down the stream. I then went to the single holly behind that single rock in the field, and sate upon the grass till they came from the waterfall. I saw them there, and heard William flinging stones into the river, whose roaring was loud even where I was. When they returned, William was repeating the poem:—
I have thoughts that are fed by the sun.
It had been called to his mind by the dying away of the stunning of the waterfall when he got behind a stone....

maandag 18 april 2016

Jan van Heukelom -- 19 april 1805

• Jan van Heukelom (1784-1847) was een Leidse lakenfabrikant. In 1805 maakte hij een maandenlange reis naar Engeland om ideeën op te doen voor het familiebedrijf. Zijn reisdagboek is gepubliceerd als De Engelse Industriële Revolutie beleefd door een Leidse lakenfabrikant.

Vrijdag 19 April maakte ik met Barend Hulshoff na het doen enige boodschappen een heerlijke wandeling om het Hyde Park en de Kensington Gardens en wij amuseerden ons daarmee zeer. Des avonds gingen wij nog eens naar Covent Garden theater.

Zaterdag 20 April ging ik enige visites maken en mijn paspoort trachten te bekomen. Den avond gingen wij met de Hr. Weber en zijn vrouw naar Saddlers Wells en zagen daar, hetgeen er altijd vertoond wordt. Pantomime Comique, met verscheidene Harlekijns. Men moet zich verwonderen over de moeite en kosten, die aan decoraties en kleding te koste worden gelegd, maar nog meer over hetgeen de Londenaars voor zulke vertoningen aanhoudend verkiezen te betalen. Een bijzonderheid is hier evenwel, die wij ook gelegenheid hadden op te merken, namelijk dal men een vrij goede hoeveelheid water op dat toneel heeft weten te leiden, hetgeen door de planken bedekt wordt, doch zo nodig neemt men de planken weg en dan heeft men een toneel van water. Zo zagen wij die avond een niet onaardige afbeelding van wedstrijd roeien op de Theems.

Zondag 21 April. 's Ochtends thuisgebleven om enige voorbereidingen te maken voor ons vertrek.
Die middag aten we bij de Hr. Weber vroeg en gingen wij met hem naar Chelsea. Zagen daar het Chelsea Hospital voor oudere en gebrekkige landsoldaten geschikt. We dronken toen aan een brug over de Theems thee. waarna wij weer terugkeerden. Deze vaart op de Theems was zeer aangenaam, en leverde zeer fraaie gezichten op. Te Chelsea zelf is buiten het hospitaal nog de Vauxhall, doch de deur ervan was niet alleen gesloten; er woonde niemand en de gehele boel zag er verschrikkelijk ontramponeerd uit.

Maandag 22 April. Eindelijk met de paspoorten om in het land te mogen reizen klaar gekomen zijnde, namen wij die dag afscheid van onze vrienden, pakten ons goed op. Soupeerden nog 's avonds bij Hr. Weber en vertrokken toen de volgende morgen om half 6 uur van London.

zondag 17 april 2016

Ernst Jünger -- 18 april 1944

Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse schrijver. Zijn Parijs dagboek 1943-1944 is verschenen in de Privé Domein-reeks.

In de trein, 18 april 1944. - 's Nachts in Japan, waar ik me onhandig gedroeg tegenover vreemde mensen en vreemde zaken. Ik zag de planken waarop de waren van een winkel lagen uitgestald, aan voor een trap en klom omhoog, waardoor ik schade aanrichtte. De Japanners bekeken me daarbij met een aandacht bestaande uit hoffelijkheid en weerzin.
Vervolgens in een kamer waar ik mannen en vrouwen in etherroes op een divan zag liggen. Wankelend trad een van hen me tegemoet, hij hief een zware kruik op om me te slaan. Omdat ik aan zijn dronkenschap zag dat hij me niet zou raken, deed i kmoeite me niet te bewegen - 'anders raakt hij me per ongeluk toch nog'.
's Middags liet Loehning me afhalen en naar het station brengen, waar ik onder shrapnelwolken in de trein naar Parijs stapte.

Over vocalen. In een nieuwe bewerking van dat essay zou ook het volgende moeten worden aangevoerd als bewijs dat de klankkleur van de woorden niet toevallig is: wanneer nieuwe dingen binnen ons gezichtsveld komen, zijn er meestal verscheidene namen die we ze kunnen geven. De taalgeest zal daaruit de meest geschikte kiezen en gaan gebruiken, en daarbij zal de klankordening van grotere betekenis zijn dan de logica. Om die reden is Auto krachtiger dan Kraftwagen.

Galeazzo Ciano -- 17 april 1939

Galeazzo Ciano (1903-1944) was een Italiaans fascistisch staatsman. Hij was de schoonzoon van Benito Mussolini en een van de personen die hem ten val brachten. Zijn dagboek over 1939-1943 is vertaald (door A. van Dorp) als Ciano's dagboek 1939-1943.

16 April 1939
[...] Ik heb twee lange conferenties gehad met Göring, één op het Ministerie van Oorlog en de andere, die stenografisch opgenomen is, in het Palazzo Venezia. Hoewel hij veel spreekt over oorlog, waarvoor met grote zorg voorbereidingen getroffen worden, schijnt het mij toch toe, dat hij de gedachte aan vrede, althans voor een paar jaar, nog niet geheel heeft uitgebannen. Wat mij het meest verontrust in zijn gesprekken is dc toon waarop hij de betrekkingen met Polen beschrijft. Het doet mij weer sterk denken aan dezelfde middelen, waarvan zij zich indertijd bediend hebben bij Oostenrijk en Tsjechoslowakije. Maar de Duitsers vergissen zich. als zij denken dat zij weer net zo kunnen optreden. Polen zal ongetwijfeld onder de voet gelopen worden, maar de Polen zullen hun wapenen niet neerleggen zonder hard te vechten.

17 April 1939
Ik heb Göring vergezeld naar het station. Hij is zeer te spreken over zijn verblijf in Rome, want het heeft hem in contact gebracht met mij en den Duce. Over het algemeen hebben wij de indruk gekregen, dat zelfs Duitsland van plan is de vrede te bewaren. Er is alleen één gevaar: Polen. Ik was niet zozeer onder de indruk van wat hij zei als van de verachting waarmee hij over Warschau sprak. Laten de Duitsers niet denken, dat zij in Polen een zegevierende intocht zullen houden zoals zij dat elders konden doen. Als de Polen aangevallen worden, zullen ze vechten. De Duce ziet het ook zo.

Jan Hanlo -- 16 april 1969

• De Nederlandse schrijver Jan Hanlo (1912-1969) bezocht vlak voor zijn dood Marrakech. Van zijn verblijf daar hield hij een soort dagboek in brieven bij, dat na zijn dood gepubliceerd werd als Go to the Mosk (1971).

±15 april '69 Marrakech
Hoorde in het café du Glacier van andere straatjongens (die daar eigenlijk helemaal niet mogen komen maar soms toch even binnenglippen) dat M. gepakt was door de politie wegens het gidsen van toeristen. Alleen daartoe gemachtigde gidsen mogen, formeel, toeristen door de stad of naar een winkeltje leiden (iets waar met het bekende boogje-en-onmiddellijk-weer-terug al héél sterk de hand mee wordt gelicht). Ik had wat wijn gedronken in het café. De barman, die me graag mag en van gezicht precies op me lijkt - zeggen de jongens, had mijn waterglas boordevol geschonken. Daardoor was ik nog eerder geneigd spontaan te handelen, iets waar ik mij om de een of andere reden toch altijd al toe verplicht schijn te voelen. Maar ik had het zonder die wijn ook gedaan, denk ik. Ik zei tegen de jongens dat ik M. ging opzoeken. Ze leidden me toen naar het op het plein liggende Bureau de Sureté. Op 't laatst was er alleen het jongetje op krukken dat nog voor me uit liep. Voor de stoep draaide hij om en zei me dat het hier was. Ik wist dat wel, het stond er in grote letters op en ik was er al eens geweest om te vragen of mijn (goedkope) eerste fotocamera misschien gevonden was door een eerlijke vinder, een kans van 1 op het miljoen. Ik legde uit dat ik reeds enige weken bevriend was met Mohamed en men liet hem mij zien in zijn cel. Hij lag er netjes en soumis (= volgens de kleine Larousse 'Disposé a l'obéissance: enfant soumis. Respectueux'.) naast twee andere, kleinere schoffies onder een nette grote biezenmat op de grond op de nacht te wachten (!), keek wat beschaamd en gaf me geen hand. Ik zei vrolijk 'comment ça va?' en gooide hem een pakje Clark's kauwgum toe, zeggend tegen de politieman dat er geen vijl in zat, en ging weer weg met de politieman. Die zei dat ik 's morgens maar eens moest terugkomen. Ik vroeg hoe laat. 9 uur. Ik was er om 9 uur, mocht hem weer zien. Hij zat er nu met z'n vijven. 3 naast elkaar op de knieën, zittend op de hielen, uitgeslapen blijkbaar. 2 nog onder de biezenmat. Hij lachte me toe met z'n vriendelijkste (ook soms wel routine-) lachje. De rechercheur die de celdeur voor mij geopend had (nu een ander dan de agent in uniform de avond tevoren, het is een zeer druk bureau) maakte een gebaar van 'o die!' toen hij zag dat het om Mohamed ging. Alsof hij zeggen wilde 'natuurlijk die weer' of 'een hopeloos geval'. De rechercheur (:questceque c'est: 'amitié") zei dat ik Ghadouja maar moest halen. Ik zei dat ik dat doen zou maar dat ik niet wist ofze mee wilde komen. 'Kom dan zelf in ieder geval terug' zei hij.
Ik heb toen 4 uur lang gezocht (had vannacht 39.04 koorts: diarree, maar misschien wel door zon en vermoeidheid) om het adres van Ghadouja en Mohamed terug te vinden, wat me pas samen op fietsen met een nog onbekende grotere jongen lukte.
Toen ik eindelijk werkelijk de buurt van de woning begon terug te kennen zag ik ... Mohamed daar in mijn paarse pullover! (hij had in de cel 'de jumper' aan, iets wat ook bijdroeg tot de reactie van de rechercheur). Hij was dus al vrijgelaten. In het huis was eindelijk ook eens de man van Ghadouja aanwezig, een zeer donkerblikkende Marokkaan. Ik kreeg eten van Ghadiezja, 2 gebakken eitjes en een tomatensla-tje en brood. Heel goed, de diarree heb ik daar niet van, ik had het al een paar dagen onder de leden. Muntthee bij de buren, waar ik bij vergissing, na op het binnenplaatsje foto's van Ghadiezja en de kinderen gemaakt te hebben, binnenliep. Eindeloos praatje gemaakt over thee. Later bij Ghadiezja en haar man gesproken over meegaan voor een maand of zo van Mohamed met mij naar Holland. De grote jongen die het huis voor mij gevonden had en van wie de fietsen waren, hielp als tolk want de man sprak niet veel frans. De man ging tot mijn verbazing accoord met het voorstel. We zouden de volgende dag al naar de pasja gaan (burgemeester?) om te vragen of het kon. De grote jongen dacht dat het niet kon omdat M. een 'mineur' is en drong er bij me op aan hem mee te nemen in plaats van M. Hij was tot elke werkzaamheid in Holland bereid. Ik zei dat ik in Teroudant al aan een jonge sandalenmaker beloofd had moeite voor die te doen en dat ik niet meer op me kon nemen. Ik gaf hem later een tientje voor al z'n moeite van uren en uren lopen en fietsen, waar hij uiteraard wel tevreden mee was, maar hij was toch bedroefd dat ik M. en niet hem mee wilde hebben. Ja ... Het was een flinke aardige jongen van 18 (19, zei hij), waarschijnlijk een veel beter karakter dan Mohamed, hoewel: wat is 'beter'.
Wij zijn toen gisteren om 11 uur naar het mooie stadshuis gegaan, de man van Ghadiezja en ik werden toen op een wonderlijk gesmeerde manier (van fooien geven onthoud ik mij liever in deze kwestie) naar het juiste bureau (passeports) geleid omdat de 'vader' van Mohamed de bedienden daar kende, hij is nl. los-werkman en heeft voor de gemeente ook wel eens karweitjes opgeknapt met een handkar en hij was bij die mensen, tot mijn genoegen, wel populair. De politie van het passeport-bureau zei, toen ik kwam met mijn 'requète extraordinaire' (waarop ik een volmondig 'Oui' kreeg), dat het in principe wel mogelijk was.
Er werd zelfs op mijn verzoek al een ontwerp verklaring die ik zou moeten tekenen, opgesteld. Alles ging zeer gehaast (het was warm zonnig weer wat zowel mensen als honden - o die blaffende honden in de nette buurt waar mijn hotelletje ligt, iets duivelachtigs - toch wel koortsachtig maakt, meen ik gemerkt te hebben), en uiterst vlot vanwege de volko men gortdroge instemming van de vader van Mohamed. We waren in 10 minuten weg.

Ik begrijp de familieomstandigheden nu beter. De vader van M. is blind en volgens M. dood. M. zegt dat hij een mooie lange witte baard had die hij voortdurend streelde. 'Een neger?' 'Ja'. Volgens de man van Ghadouja is er niemand dood. Ook de vader van M. niet. Maar hij, de man van Ghadiezja, is nu de vader van Mohamed (de stiefvader dus, M. noemt hem tegen mij vaak 'le mesieu de Ghadiezja', de verhouding stiefvader-zoon is, ook hier, niet te best). En Ghadiezja is wel degelijk de echte moeder van Mohamed! M. heeft mij wat op de mouw gespeld door te zeggen dat Ghadiezja de zuster van zijn overleden moeder is! Ghadiezja moest er onwillekeurig om lachen toen ik hun dat nu vertelde. En een witte baard zal de eigenlijke vader van M. ook wel niet hebben. Maar blind zal hij wel zijn. Mohamed houdt veel van Ghadiezja. Ze hebben hetzelfde type, dezelfde stem, dezelfde tanden.

Nu zien hoe het verder loopt.

Een paar dagen geleden bracht Mohamed mij 's avonds naar de bus. Hij vroeg weer om wat geld. Het was de avond na die avond van die kus op straat. Ik wilde hem niets geven, stond al in de bus en liet hem 2 koperen munten zien zeggend: daar ben je toch niet tevreden mee. Hij kon toch niet nalaten te lachen, van 'nee, daar heb je gelijk in'. Ik gaf hem later door het openstaande raam van de bus een dirhamme. Hij was helemaal opgelucht. Ging stralend met zijn ivoorwitte tanden met zijn rug tegen een palmboom staan tot de bus zou weggaan, mocht daar niet staan stralen van een busbeambte en stond wat later aan de andere kant van de bus, op de binnenkant van de vingers van zijn rechterhand een afwezig-dromerige kushand gevend met een lief-tevreden gezicht zoals er toch maar geen ander van al zijn kameraden dat heeft, (die kushand was bedoeld voor mij maar hij keek me niet aan, en dat was het wat er, heel typisch, arabische gratie aan gaf.*) Zag hem, toen de bus vertrok, met een vrolijk gezicht een hand geven aan een oudere toerist met een wit baardje. Hij had weer een klant gevonden om mee te praten of ergens heen te brengen. We wuifden vrolijk naar elkaar, want dat moet ik hem wel gunnen, het is zijn job, aardig zijn voor elkaar schaadt niet zó gauw.
Vandaag, na de koortsnacht (me heel lekker gevoeld overigens) gewacht op de vader van Mohamed, die à midi zou komen, maar hij is er nog altijd niet. Maar om 3, 4 uur 's middags is het hier nog 'midi' veronderstel ik. Om 10 uur 's morgens zeggen ze trouwens al 'bonsoir'. Ik geloof dat ze 'bonjour' niet zo'n goed woord vinden.


*) Wanneer ik soms de Arabieren een overtuigde pluim geef, wil dat niet zeggen dat ik ie een sentimentele blindheid voor hun negatieve punten zou hebben, ze dat ik ze zou vergelijken met de Joden. Dat is volkomen niet mijn bedoeling. Deze brieven staan buiten de politiek. De Marokkanen zijn trouwens niet anti/joods. Ze beminnen de oorlog niet en voelen dat de Joden die ook niet wensen.

donderdag 14 april 2016

Simon Vinkenoog -- 15 april 1965

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In Tegen de wet hield hij een dagboek bij van de periode dat hij de cel in moest vanwege het bezit van drugs. Hieronder het verslag van zijn laatste dag. (Eerste dag hier).

Man terug!
Donderdag 15 april 1965.
Tien over tien. Een half uur in de regen gelopen, ik kreeg een halve sigaret - de eerste sinds gisteren, ik stond te tollen op mijn benen en herkende de duizeling, die ik was.
Het einde nadert: de ui is bijna geschild. Als ik schrijf, speel ik een rol, daarachter niet ik, maar niets. En waar ik niet ben - ik kan het niet meer onder woorden brengen. Wat ik weet kan ik niet zeggen: angstaanjagend diep is de afgrond, een verwaaid inferno, gelukzaligheid in afwezigheid: de grote illusie van het zijn. Straks, over vier dagen ben ik weer, ben ik weer alle antwoorden op alle test-vragen. Nieté ben ik, nog geen komma, niets dan schijn. De ontmaskering. Ook het Tabernakel was leeg, niets dan het Woord.
Niets dan een duizeling, van waaruit alles een aanvang nam. Energie verpakt in materie. Onzichtbare ondeelbare waterstofatomen, door kosmische kracht verenigd tot gassen, vloeistoffen mineralen en alles wat verder leven heet, een kringloop van amoebe tot dit Nog-niet, deze voorgeboorte, die mens heet. Een gat dat niet te stoppen is dan door te vallen. Ik val in je, wij voelen wat wij zijn: niets en alles.
Wij zijn niet. Wij ontdekken. Wij spelen een rol. Het leven een ritueel. Het doel? Groei. De strategie: liefde. Welke waarde? Eén. Mijn taal: een stamelen. Waar ben ik? Nu. Kun je je herinneren, datje me toeriep: 'Beweeg niet zo?' Je vond het angstaanjagend, maar ik was niet. Jij riep me tot leven, ik was niets dan die beweging, 'mijn ware zelf' - geef me de ruimte. En ik zal je de tijd geven. De tijd om te leven en lief te hebben, niet langer te strijden.
Alles is goed, zolang er geen regels zijn. De mens heeft zich ingeblikt in zijn spelregels, hij zal zich van de regels moeten ontdoen om weer te kunnen spelen. Wie niet speelt, wie niet weet dat hij speelt, wie ih het spel niet de hoogste opgave ziet (begrijpen, liefhebben en voortbrengen) is verloren voor het leven. Er is geen winst of verlies. Er is slechts een spel, laat mij het zo goed mogelijk spelen. Kijk, ik lach, ik huil. Ik leef. Zolang het duurt, is het aandacht.
Aandacht voor het heilige niets dat mij omringt, dat ik omring. Ik lever een veldslag, met de duizeling, de regen en het weten. Niets weet ik en dat is nog lang niet alles. 'Bewaarder Cl Man terug.'
Wat ik bovenal wilde: een eerlijk spel spelen. Ik wilde zes weken eenzaamheid delen omdat ik dacht dat het een moeilijke tijd zou zijn. Ik had me gewapend en ik wilde van mijn wapens gebruik maken. Ik wilde in mijn alleen-Zijn niets voor of tegen mij heben: ben ik niet mijn eigen regisseur en hoofdrolspeler?
Maar ik leef niet alleen, alleen ben ik niet, ik heb mij omringd met mijn eigen wereld: WILLEM, de ansichtkaarten, mijn boeken cn de bezoeken. ïk kan niet buiten die wereld, ik ben die wereld. Zonder die wereld ben ik niet; een leegte, een krankzinnige.
Sinds gisteren bonst weer iemand voortdurend tegen de deur van de strafcel waarin hij is opgesloten. Af en toe dringt een verstikte kreet naar buiten:
- Moordenaars! Vuile SS-ers! Ik wil er uit!
Het bonst in mij. Moet ik afstompen? Meebonzen: ik wil er uit?
- Het wordt tijd dat ze hem er uit laten.
- Dat zul je toch aan de bewakers moeten overlaten. Het is zijn eigen schuld tenslotte zegt mij de reiniger, die mijn afwas water in mijn plastic teil giet.
Met wie kan ik praten? Met mijzelf? Met de ANP-omroeper, naar wie ik van 7 uur 's morgens tot 8 uur 's avonds luister? Brieven en groeten krijg ik, die ik niet kan antwoorden. Ik ben een antwoord, dat niet overkomt: een roepende die zijn mond niet opendoet.
Niemand luistert naar de man die bonst, aan zijn stem -meer kwaad verontwaardigd en protesterend dan klagend of huilerig - te horen: nog een jongen. Ik zag toen ik de ton buiten zette, dat het licht boven de deur brandde: hij had gebeld.
Niemand doet hem open. Hij zit zijn straf uit. Gisteren probeerde men hem nog te kalmeren, ik hoorde een (niet-verstaanbaar) twistgesprek, en een uur later: - Je moet bij de direktie komen.
Gedraag je, jongen dacht ik bij mijzelf, en terwijl hij langsging, omringd door bewaarders (ik weet niet hoe hij er uit ziet, zoals ik ook van De M. maar éénmaal een glimp heb opgevangen, toen ik langs de kooi liep waarin hij luchtte, alleen, terwijl ik naar mijn kooi ging, waar ik zou luchten - met twee, drie anderen) dacht ik aan het misverstand als hij tegenover de Ander zou staan.
Welk spel zou hij spelen? Hoe zou hij zijn ontegenzeggelijke gelijk onder woorden kunnen brengen? Wie zou hem verstaan, aanhoren, 'tot rede brengen?'
De 'eenvoudige vrijheidsberoving' is ingewikkelder dan dat alleen: in deze huizen (van bewaring) worden geestelijke en lichamelijke aanslagen gepleegd óp diegenen, tegenover wie de maatschappij een dure plicht heeft te vervullen.
Ik wilde schrijver zijn, ik wilde mijzelf maken tot wat ik was, steeds weer opnieuw, met woorden getuigen.
Ja, ik ben het, kijk naar het omslag. 'Liefde' Mijn naam staat er-onder. Ik ben het.
Ik kan dit boek niet schrijven. Ik wil geen afstand meer nemen van dit, dit ben ik ook: een man die bonst. Ik blijf bonzen. Bonzen tegen alle deuren. Doe mij open. Laat mij binnen.

woensdag 13 april 2016

Susan Sontag -- 14 april 1949

Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.

4/8/49
This afternoon, I heard a lecture on "The Function of Art and the Artist" by Anaïs Nin: she is very startling — pixie-like, other-worldly — small, finely-built, dark hair, and much make-up which made her look very pale — large, questioning eyes—a marked accent which I could not label — her speech is over-precise — she shines and polishes each syllable with the very tip of her tongue and teeth — one feels that if one were to touch her, she would crumble into silver dust.

Her theory of art was preciously intangible (discovery-of-the-unconscious, automatic-writing, revolt-against-our-mechanistic-civilization)—She was analyzed by Otto Rank.

4/14/49
I read [Djuna Barnes's] Nightwood yesterday — What a great prose she writes — That is the way I want to write — rich and rhythmic — heavy, sonorous prose that befits those mythic ambiguities that are both source and structure to an aesthetic experience symbolized by language —

4/16/49
I read the major part of [Dostoyevsky's] The Brothers Kara-mazov and suddenly feel frantically impure. I wrote three letters to Peter and Audrey completely severing those relationships and to Mother, semi-declaring my revulsion for the past —

dinsdag 12 april 2016

Eugène Delacroix -- 13 april 1853

Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).

Woensdag 13 april. [1853] – Je moet een schilderij altijd een beetje bederven om het af te maken. De laatste touches die erop gericht zijn harmonie tussen de verschillende onderdelen te scheppen, ontnemen er de frisheid aan. Je kunt er alleen mee voor de dag komen nadat je alle heerlijke slordigheden waar de kunstenaar zo verzot op is, hebt weggewerkt. Ik vergelijk die moorddadige retouches met de banale ritornellen waarmee alle melodieën afsluiten, en met de onbeduidende opvulsels die de componist tussen de interessante stukken van zijn werk moet plaatsen om van het ene motief op het andere over te stappen, of om ze beter uit te laten komen. Toch zijn de retouches voor een schilderij niet zo funest als men zou kunnen denken, wanneer het schilderij goed doordacht is en met een diep gevoel uitgevoerd is. Door de eerste zowel als de laatste penseelstreken weg te werken geeft de tijd aan het werk zijn uiteindelijke eenheid terug.

Woensdag 20 april. [1853] [...] Toen ik samen met Grzymala terugging, hebben we over Chopin gesproken. Hij vertelde me dat diens improvisaties veel gedurfder waren dan diens voltooide composities. In dat opzicht staan ze ongetwijfeld in dezelfde verhouding tot elkaar als de schets voor een schilderij tot het voltooide schilderij. Nee, men bederft een schilderij niet door het af te maken! Misschien dat er minder ruimte is voor de verbeelding als de schets eenmaal is uitgewerkt. Men ervaart andere indrukken van een bouwwerk dat wordt opgetrokken en waarvan de details nog niet zijn ingevuld, dan van hetzelfde bouwwerk nadat het de aanvullende ornamentering en afwerking heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor een ruïne, die frappanter overkomt door de ontbrekende onderdelen. De details zijn weggevaagd of verminkt, net zoals men in een bouwwerk in aanbouw nog niet meer dan de rudimenten en de eerste vage aanzetten ziet van de kroonlijsten en sierelementen. Het voltooide bouwwerk sluit de verbeelding binnen een cirkel en verhindert deze erbuiten te treden. Misschien dat de schetsmatige opzet van een werk alleen maar zo in de smaak valt omdat iedereen hem op zijn eigen manier kan uitwerken. Kunstenaars die begiftigd zijn met een uitzonderlijke gevoeligheid en die een fraai kunstwerk bekijken en zelfs bewonderen, zijn geneigd het niet alleen te bekritiseren om de tekortkomingen die er wel degelijk in zitten, maar ook vanwege het verschil dat het vertoont met hun eigen gevoel. Toen Correggio zijn beroemde uitspraak Anch’io son’ pittore deed, bedoelde hij te zeggen: ‘Dit is een fraai kunstwerk, maar ik zou er iets in gelegd hebben wat er niet in zit.’ De kunstenaar bederft het schilderij dus niet door het te voltooien; alleen door de vaagheid van een schets op te geven toont hij meer van zijn persoonlijkheid en onthult daarmee de volledig reikwijdte, maar tevens de grenzen van zijn talent.

maandag 11 april 2016

Abraham Rutgers van der Loeff -- 12 april 1841

Abraham Rutgers van der Loeff (1808-1881) was predikant te Noordbroek, Zutphen en Leiden. Zijn dagboeken staan hier online.

maandag 12 april 1841
Met minder opgewektheid gepreekt. Misschien lag het in 't onderwerp. Het verband tusschen 't lijden en de opstanding. Na de kerk had ik een gezelschap van 21 menschen die zich tot het doen van belijdenis hebben aangegeven. Over 't geheel staan zij mij vrij goed aan. 'S namiddags rustte ik wat op mijn werk met blijdschap en dankbaarheid schoon ook met diep gevoel van tekortkoming daar op terugziende en wandelde toen nog naar Zuidbroek. Tinga [collega-predikant] had op eersten Paaschdag wederom voor 't eerst gepreekt onder onuitsprekelijke aandoening voor hemzelven en de gemeente. Ook dien morgen had hij weer dienst gedaan; en alles was goed afgeloopen. Zoo mag men dan zeggen dat de storm en beproeving in dat huis bedaard is. Ach, dat er zoo veel daar moest worden weggerukt. 'S avonds had ik Cannegieter [arts] en Mr Smid [onderwijzer] bij mij; de eerste bleef met zijne vrouw een boterham eeten.~

dinsdag 13 april 1841
Huisselijk: feestdag van Romelia's [echtgenote] jaardag; met een vreugdevol gevoel ontwaakte ik en dankte in stilte God voor zoo onbegrijpelijk vele voorregten als ik geniet. Romelia was blijde met mij en onze kindertjes deelen in de vreugde. De vrienden van het Kransje kwamen alle te bestemder ure; heerlijk weder had hunnen reize veraangenaamd. Gul en ongebonden was ons gesprek over allerlei. Smakelijk ons middagmaal en zingende werd de bijeenkomst gesloten.
'S avonds begaf ik mij nog naar Bodisco [bevriend predikant] waar v[an] Zutphen gelogeerd was. Spoedig hadden wij een geanimeerd discours over den doop. Ik zocht het eigenaardige van den kinderdoop te verdedigen op grond van het sijmbolische der plegtigheid die iets toekomstigs aanduidt en inzooverre het geloof kan vooraf gaan, en meer nog op grond van deszelfs bedoeling om in het ligchaam der gemeente niet in het inwendige Christendom der mensch in te lijven, even als de besnijdenis dit bewijze bij de Joden. Het is hoogst moeyelijk met doopsgezinden over dit punt te redekavelen. Zij kunnen naauwelijks onpartijdig zijn, omdat zij allen op leven en dood moeten strijden enz.

Constantijn Huygens jr. -- 11 april 1692

Constantijn Huygens jr. (1628-1697) was een Nederlandse staatsman. Hij was daarnaast bekend om zijn werk aan wetenschappelijke instrumenten en als kroniekschrijver van zijn tijd.

11 Vrijd.
Smergens quam Lith de Jeude mij hoetelen met sijn schurfde questien over dijcken etc. in̅ Graefschap Culenburg. Oock de langhe Heuft, die choccolate gaf.
Terwijl hij daer was quam joff. Schrasser, die de antwoord van̅ Con. [de koning] seyde. Haer meydt quam al weder binnen.
In 't weghgaen seyde, dat haer in mijn goede gratie recommandeerde.

Quam oock Chevalr, autheur van̅ Historie, met medalien van̅Con., die de Con. antwoord seyde. Hij wilde mij een exemplaer geven, maer nam het niet.
Daernae had een Ingenieur, Dubuy genaemt. Had een attestatie van bequaemheit, hem door broer Christiaen in Vranckrijck gegeven.
Naermidd. sprack met Root en̅ Wolfraet over het peerd van̅ leste, dat koopen soude.
Uyt het huys gaende, quam Dijckveldt tegen, komende van Rurmonde en Brussel.
Van Loon, mede uyt den Haegh gekomen, seyde, dat een brief van sijn soon hadde, daerin schreef, dat Myl. Portlands peerden de volgende weeck van̅Haegh naer Breda gingen, apparentelijck omdat daer of daeromtrent den Keurvorst van Beijeren soude sien of wachten.
Odijck en Gastigny, die mede in sijn camer was, seyde, dat mrs Treslawny en mrs Franklyne heete prijen [ontuchtige vrouwen] waeren. Odijck vraegde, of de schele niet swaer geweest was, als men seyde, maer hij antwoorde van neen.
Gastigny seyde, dat de minne naer haer ... gevat hadde en̅ sij hem had laten doen, en dat hij daermede verlegen gestaen hadde; dat hij Treslawny daer oock dickwils naer gevat hadde, maer nooyt niet terecht gekomen was.
Seyden, dat mrs Howard quade lucht uyt haer mondt hadde.

zondag 10 april 2016

Emma Thompson -- 10 april 1995

Emma Thompson (1959) is een Britse actrice. In 1995 hield ze een dagboek bij tijdens de opnames van Sense and Sensibility, een film naar het boek van Jane Austen, van regisseur Ang Lee.

MONDAY 10 APRIL: Writing endless additional dialogue. This is to cover entrances and exits or wherever it's necessary for background chit-chat. Difficult for actors to extemporise in nine-' teenth-century English. Except for Robert Hardy and Elizabeth Spriggs, who speak that way anyway. Jane reminds us that God is in his heaven, the monarch on his throne and the pelvis firmly beneath the ribcage. Apparently rock and roll liberated the pelvis and it hasn't been the same since. We all stand about like parboiled spaghetti being straightened out, IVe covered the telly up, hidden the radio and cancelled all the newspapers. Hello, 1811.

TUESDAY 11 APRIL: No one can sleep for excitement. Costume designers John Bright and Jenny Beavan wish they had three more weeks but have done truly great work. The shapes and colours are inimitable. Lindsay's already in Plymouth frantically trying to cut the script. It's still too long. The art department object to us bathing Margaret in the parlour. Apparently they always used a kitchen or bedroom in the nineteenth century. Perhaps the Dashwoods are different, I suggest, unhelpfully. Start to pack for ten weeks.

THURSDAY 13 APRIL: Riding side-saddle is bizarre. Lesson with Debbie Kaye, who is in charge of training the actors to ride the horses and providing the carriages - everything to do with the transport of the times. It's a huge responsibility and great to find that it's a woman's. Quite unusual in this country. She put me on Small George, who was a bit skittish. The saddle has two leather protuberances. You wrap your legs around and hold on tight. Very good for the thighs. I wobble about, trying to be brave.

zaterdag 9 april 2016

Thomas Orde-Lees -- 9 april 1916

Thomas Hans Orde-Lees (1877–1958) maakte deel uit van Ernest Shackletons Trans-Antarctic Expedition van 1914–1917, die strandde op de Zuidpool toen het expeditieschip Endurance werd kapot gedrukt door de ijsschotsen. Op een gegeven moment probeerde de expeditieleden in drie reddingssloepen een eiland te bereiken. Het fragment hieronder beschrijft een van de dagen uit de week dat die tocht duurde.

Night of 9th - 10th April 1916
Whilst hauling up the boats, which took a good hour to do, the cook had got our blubber stove going on blubber that we had brought with us and produced a fine beverage of hot milk (36 ozs. Trumilk powder for 28 persons) which we stood in much need of. As we had had a quarter of a pound of dog-pemmican and two biscuits each, in the boats for tea, it was not considered necessary to supplement this, so we made do with the milk, and having erected the tents turned in.

One or two of us whose turn it was to do night watchman from 11 p.m. to midnight lay down in the bottom of one of the boats.

The night was fairly mild so that they did not get particularly cold before all hands were awakened, just before 11 p.m., by the now familiar cry of "crack." We jumped up just in time to see, as much as it was possible to do so in the dark, the floe separate into two halves and to hear the cry and commotion of a man in the water. The latter was the sailor Holness and his position was one of extreme danger, for apart from the usual restrictions of clothing, boots, etc., and the fact that his sleeping bag had fallen in on top of him, he was in imminent peril of being crushed between the two halves of the floe, for as a general rule when a floe splits and there is a swell running the two portions of the floe surge to and fro, the crack opening and closing rythmically [sic] with the swell, the edges thereof coming together with a crash and grinding against each other. Providentially, on this occasion, the two fragments merely parted company, separated about six feet from each other and thereafter did not approach with a yard of one another. This was well enough for the rescue of the drowning man but greatly impeded subsequent events.

It appeared that the crack had occurred immediately underneath the sailors' tent—the large 8 man hoop tent—right through the spot where Holness was sleeping. How he extricated himself from his sleeping bag is a marvel as he got clear of it before he actually fell into the water for his bag did not go entirely in but remained hanging over the ice edge.

Vincent, another of the sailors, also had a narrow shave, he did not fall in but his bag did.

Strange to say the tent sustained no damage whatever.

This was not all by any means, for the crack had cut off Sir Ernest's tent and the "J. Caird" from the rest of our little floating camp and it was a question whether we could contrive to "bridge" the boat over the now widening crack, the first care, the rescue of Holness, having been satisfactorily accomplished.

Curiously enough it was Sir Ernest [Shackleton] himself who rescued Holness. No doubt he was spending one of his usual wakeful nights and so was up and out in an instant. First he saved Holness's sleeping bag and then the man himself, whose chief lament was that he had thus lost all the "baccy" out of his bag. We have since learned from the victim of this accident that he attributes his escape to the precaution he had taken to sleep with only the lowest one of the three buttons on the flap of the bag fastened, owing to the scare that previous crackings of the floe had given him. Lt. Hudson very generously divested himself of some of his own clothing and also a spare suit of combinations in order to provide Holness with a dry change, for, as the temperature was only 18°, he would soon have been frozen in his wet things.

donderdag 7 april 2016

James Woodforde -- 8 april 1761

James Woodforde (1740-1803) was dominee in het dorp Weston Longville in het Engelse Norfolk. Hij hield 44 jaar een dagboek bij; gedeeltes daaruit zijn gepubliceerd als The Diary of a Country Parson 1758 – 1802.




April 8th, 1761
Nosegays for Peckham & myself                 pd. 0..0..1
For two Rolls of Pomatum of my Barber      pd. 0..1..0
For the Barber to Drink -                           gave 0..1..0
N:B: It is always when one has a new Wigg
- For Fruit                                                 pd..- 0..0..5
 I went to the Town Hall where I saw Lord Robert Spencer, his Brother Lord Charles's Representative, & Sir James Dashwood, made Members for the County of Oxford, I saw them both chaired, no opposition at all. At Bragg in the BCR, with Oglander, Ridly, Caswall, Ballard, Peckham, & Master  - won 0..1..0

woensdag 6 april 2016

J. van Drielst -- 7 april 1915

• J. van Drielst (?-?). Dagboek van mijne reis door het binnenland van Honduras naar Guatemala.

April 7. Om 6 uur wordt opgezadeld en de reis vervolgd; ik heb zeer slecht geslapen, deels tengevolge der oververmoeidheid en ongewoonte, aan eene reis per muildier verbonden, deels door de ongemakkelijke houding in de hangmat, en het lawaai der blaffende houden in den Patio (hof achter het huis). Na eenige moeite gehad te hebben met het opvangen der rijdieren, welke des nachts immer los gelaten worden in de Portrero (weide), rijden wij weg. Het is thans verrukkelijk in de natuur. De zon zal spoedig opgaan, en de hemel is wazig rose verlicht, een heerlijk koeltje waait nog, wat straks door eene geweldige hitte vervangen zal worden; men apprecieert het dientengevolge des te meer! Onze weg voert door glooiend land, met aan weerszijden oploopende bergen. Overal beweging en gefladder van de vreemdste vogelsoorten welke hun gezang of eigenaardig geschreeuw laten hooren. Veelvuldig komen de groote groene paraquitos voor, steeds in koppels, en luid krijschend van boom tot boom vliegend, verder een soortgelijke vogel, doch geheel zwart; de pepervogel met zijn reusachtig langen snavel, zeer dik en breed van vorm, begluurt ons in stilte vanuit de hoogte, terwijl overal de bekende nesten der weefvogels, welke als stroozakken aan de takken van de boomen hangen, vreemd aandoen. De tropische fauna doet zich hier in al zijn pracht voor. Op eens hooren wij hoog boven ons het wilde gekrijsch van een zwerm papegaaien, het is de soort, die in deze streken het meest voorkomt n.l. groote vogels met zeer lange staarten, rood en oranje-achtig gekleurd met zwart-bonte afwisseling. Het geluid, dat ze voortbrengen heeft zeer veel van het, in de hollandsche taal nu niet bepaald als beschaafd bekend staande woord “verrek”. Ik probeer nog met mijne revolver een der dieren naar beneden te brengen, wat me evenwel niet gelukt en de vogels hunne verwenschingen schijnbaar nog doet verdubbelen! Wat verderop kijken eenige herten ons in groote verbazing met hunne klare en goedige oogen aan, doch bij onze nadering vluchten zij in de wildernis. Elk oogenblik schieten snelle leguanos (hagedissen) voorbij, sommige zoo groot als een kleine krokodil, doch zij blijven immer uit ons bereik. Hier diene opgemerkt, dat de groote door de inlanders geschoten en gebraden als eene lekkernij beschouwd worden; bon appétit! Slangen zien wij helaas weinig, en dan nog slechts zeer kleine, wel hoort men af en toe een verdacht geritsel in het gras aan weerszijden van den weg. De lezer moet echter niet denken, dat de grootere soorten hier ontbreken, in Honduras leven zelfs de gevaarlijke cobra, terwijl niet zelden eenige soorten der piton gevangen worden. Ook de flora laat aan tropische pracht niets te wenschen over. Honderde soorten van boomen, met den vreemdsoortigsten bladerengroei staan door elkander. Vele vertoonen verschillende prachtige bloemsoorten, die soms zonder tak tegen den stam aanzitten. Eene tropische soort tulpboom, welke hier tenminste veel van heeft, komt menigvuldig voor, ik moet helaas eerlijk bekennen dat de meeste soorten voor mij onbekend zijn, terwijl de namen die men te hooren krijgt van dien aard zijn dat men ze onmiddellijk weder vergeet! Voor interessanten kan ik slechts aanraden een of ander botanisch werk over den plantengroei in Centraal-Amerika te raadplegen, waaruit men zonder twijfel eene nauwkeurige opgave der verschillende boom- en plantensoorten kan putten. Om ongeveer twaalf uur passeeren wij de rivier Naco, thans zeer laag, doch in het winterseizoen niet zonder cano’s over te komen. Wij hebben thans het Departemento de Cortez achter ons liggen, en bevinden ons thans in het district van Santa Barbara. Thans breidt zich een geweldige vlakte voor ons uit, de hitte is verschrikkelijk, de zon brandt op onze ruggen, terwijl de muildieren slechts stapvoets of op een sukkeldrafje voortschrijden. Tegen 2 uur komen wij aan te San Marcos, een dorpje, juist in het midden dezer Planada gelegen, waarvan het witte kerkje, eene ongewone luxe voor het meerendeel der in het binnenland gelegen pueblos, (dorp) reeds eenige mijlen vooraf kan waargenomen worden. Wij worden hier vriendelijk ontvangen door den heer Fernando Rheinboldt, een Duitscher, die hier een tienda heeft, en een keurig huis, ruim en frisch gebouwd, met zijn Hondureensche vrouw en zijne 8 telgen bewoont. Daar ik eenige zaken met den heer R. te bespreken heb, besluit ik het verdere gedeelte van den dag bij hem door te brengen en den volgenden dag in gezelschap van Leonardo den tocht voort te zetten, terwijl Cosman, welke gaarne den volgenden dag in La Florida wilde aankomen, daar hij intusschen telegrafisch bericht ontvangen heeft, dat eene zijner kinderen ziek is, besluit des middags alleen verder te reizen. Na de Almuerzo (koffiedrinken) gebruikt te hebben, wordt afscheid genomen van Cosman; ik heb dus volop gelegenheid volkomen uit te rusten van de vermoeienissen waaraan ik nog niet gewend was. De wind strijkt hier met alle kracht over de Planada, en ik kan genieten van het omliggende landschap met zijne groene vlakten, terwijl rondom de bergen dicht begroeid, in een blauwachtig waas omhuld, den gezichteinder afsnijden. Van de hitte bespeur ik hier weinig meer, terwijl het zelfs tegen den avond tamelijk frisch begint te worden. Aan de onooglijk uitziende kleine kerk schijnt verder gebouwd te worden. Op gezette tijden luidt eene bel, waarop langzamerhand alle vrouwen uit het dorp met waterkruiken en potten op het hoofd te zamen komen om den noodigen voorraad water aan te slepen, welke gebruikt moet worden om de kalk, voor het optrekken der muren aangewend, te mengen. Op deze wijze draagt een ieder, zij het dan ook niet financieel, dan toch door arbeid, bij aan de voltooiing der cathedraal! Welk eene poëtische opvatting niet waar? Dezen nacht slaap ik heerlijk, ik behoef gelukkig niet den hangmat te gebruiken, doch er is een catre (soort veldbed) voor mij opgesteld.

dinsdag 5 april 2016

J.J. Voskuil -- 6 april 1981

• Schrijver en volkskundige J.J. Voskuil (1926-2008) hield in 1981 een dagboek bij van twee reizen naar Frankrijk.

4 april
5 april

MAANDAG 6 APRIL
We lopen naar de brug, door het centrum. Ik voel me nog slap, maar de verkoudheid lijkt over haar hoogtepunt heen. Het is zonnig, een vage zon. Voorjaar. We klimmen aan de andere kant van de Rhône een weg tussen villa's in, met in de tuinen cactussen en cipressen. De weg slingert wat, komt bij de autoweg, buigt weer af en bereikt Les Angles, een dicht op elkaar gedrukt hoopje Provençaalse huizen in de zon, met daarachter een karakterloos buitenwijkje en onmogelijk brede, bermloze, geasfalteerde straten. We steken de weg over, lopen door een kleine rimboe met steeneikjes, jeneverbessen, liguster en veel stenen, komen weer bij de weg terug en zijn zo de hele ochtend bezig in een rommelig, heet land, tot we eindelijk definitief de snelweg over kunnen en langs een sloot met hoge populieren door het vlakke land aan de voet van de heuvels lopen. Weer een weg, een zijweg, en dan eindelijk een pad de heuvels in. Een onoverzichtelijk land, dichtbegroeid met lage, stekelige struiken en daartussen een wirwar van paadjes. Het is warm, maar we raken toch op ons gemak. Het is ook stil, zelfs geen vogels. Plotseling zien we de Rhône weer en de pijp van de kerncentrale. Aramon. Hôtel Les Platanes. Een niet zo geweldig boerenhotel. We zitten een uur in de tuin tussen een stuk of vijf spelende kinderen, die af en toe komen laten zien wie ze zijn. Daarna lopen we door het stadje. Een half ingestort kasteel met daaromheen vervallen, bochtige straatjes en een esplanade die door een hoge muur beschermd is tegen de Rhône. Veel zwerfkatten, veel Algerijnen. Het is een zachte, stille avond. We lopen langzaam en zijn tevreden.
Het eten is abominabel: boontjes die naar zeep smaken en een biefstuk die meer zeen dan bief bevat.

maandag 4 april 2016

Allen Ginsberg -- 5 april 1947

Allen Ginsberg (1926-1997) was een Amerikaanse dichter en schrijver. Dagboekaantekeningen uit de periode 1937-1952 zijn gepubliceerd in The Book of Martyrdom and Artifice.

April 1947 [Reading List].
Tillotson, Geoffrey. The Moral Poetry of Pope
Stevens, Wallace. Esthétique Du Mal: A Poem
Shakespeare, William. Sonnets, Romeo, Richard II, Midsummer Nights' Dream
Fielding, Henry. The Adventures of Joseph Andrews
Durrell, Lawrence. Cities, Plains and People: Poems (rehearsed)
Fielding. Henry. The History of the Life of the Late Mr. Jonathan Wild the Great
Boswell, James. Boswell's Life of Johnson, edited by Charles G. Osgood (Scribner's, 1917) 550 pp.
Drew, Elizabeth. Directions in Modern Poetry
Nims, John Frederick. The Iron Pastoral
Greenberg, Samuel. Poems
Rodman, Selden. A New Anthology of Modern Poetry (Modern Library)
Auden, W.H. New Year Letter (The Double Man)
(Met Auden and Kallman)
another time: Poems (The Orators, [and] Sea and the Mirror)

April 29, [1947].
No news for you, lots elsewhere. Trouble with Cassady; lain with Carr; argued, affection, split, his angst. Seduction of Lucien to human perturbation; near Bill's view of him now. Naomi, Bellevue, radio back. etc. etc. Depression, relieved, but settling in; sexual stasis again.
More jazz
Out on a limb — (Trio) Lenny Tristano
Walkin' Boogie — L. Hampton
Holiday — Brown Eyes, Lover Man, Man I Love
House of Joy (Cozy Cole) or (?)
Sunny Side of Street — (Dorsey?)
Miller — String of Pearls
James — One O'clock Jump
Pearl Baily — Tired
Dinah Washington, Hamp — Blow Top Blues
3 Bips and a Bop — La pi da pickup — Haba (Scat)

zondag 3 april 2016

John Cheever -- 4 april 1960

John Cheever (1912-1982) was een Amerikaanse schrijver. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij. Het is in het Nederlands vertaald (door Frank van Dixhoorn) als Verscheurde stilte.

Een filoloog van Brown met zijn vrouw te eten. Eentje van de generatie Bazarov. Wat hij wil is met behulp van elektrische calculators de elementaire structuur van taal bepalen. Woordregisters en evocaties kunnen volgens hem door apparatuur worden bepaald, en zo is het mogelijk om machines goede poëzie te laten schrijven. Daarmee zijn we dus weer bij de ouderwetse sentimenten. Ik denk aan mijn eigen gevoel voor taal, het intieme, het mysterieuze, het vermogen om met een nasale uitspraak de zeewind te suggereren die door Venetië waait, of in een harde 'A' het massief voorbij Kitzbühel. Maar dat is, volgens hem, allemaal sentimenteel gedoe. Het belang van deze machines, de drang om wetten uit te vaardigen, woorden als 'hoop' en 'moed' te calibreren, alle termen die we gebruiken voor het spirituele.

Ik loop met Federico [Cheevers zoon] op een lentedag en denk bij mezelf dat ik zal gaan wandelen met X., op zoek naar een koud meer of een buitenbad, daar een duik nemen in mijn niksie en dan mijn smerig gerief halen in zijn mollige reet. Ik leg die fantasie geen enkele beperking op, en waarom zou ik ook? X. bestaat niet. en als ik in deze tijd van het jaar bij een koud buitenbad kwam zou ik niet gaan zwemmen of de dingen doen die ik blijkbaar graag wil, maar er is in mijn hoofd blijkbaar wel degelijk ruimte, speelruimte voor onbezonnen seksuele uitspattingen die geen enkel verband houden met de feiten van het leven zoals ik ze ken. En wat me interesseert zijn de conflicten in mijn karakter, in ieders karakter, de hoge toppen en diepe dalen; in een paar minuten tijd kan ik verpletterd worden door schaamte, en even later zwem ik in een zuivere bron van eigendunk en zelfvertrouwen die opwelt als een bron in een meertje. En half slapend vraag ik me af of ik misschien last heb van een hardnekkig beeld van vrouwen, die schepsels van de ochtend, als rovers, gewapend met scherpe messen.

Virginia Woolf -- 3 april 1937

Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij. Een selectie daaruit is in twee delen gepubliceerd in de Privé domein-reeks (vertaling Joop van Helmond).

Zaterdag 3 april
Op de negenentwintigste moet ik voor de radio spreken.
Dat gaat als volgt: het kan niet neerkomen op een ambacht met woorden. Ik leg de titel gewoon naast me neer en ga het over woorden hebben: waarom die zich niet tot iets manipuleerbaars laten degraderen. Ze zeggen de waarheid: je kunt er niet iets bruikbaars van maken. Dat er eigenlijk twee talen zouden moeten zijn: een voor feiten, een voor fictie. Woorden zijn onmenselijk... verdienen geen geld - moeten met rust gelaten worden. Waarom? Om elkaar te kunnen omarmen en het ras in stand te houden. Een dood woord. Puristen en vulgaristen. Dit zijn slechts ideeën, geen fixaties. Ook ik heb ontzag voor woorden. Associaties met woorden. Juist woordgebruik brengt het afwezige gij weer terug. We kunnen met gemak nieuwe woorden maken. Plisplas: krikkrak. Maar op papier kun je ze niet gebruiken.

zaterdag 2 april 2016

Albert Speer -- 2 april 1952

Albert Speer (1905-1981) was een Duits architect en tijdens de naziheerschappij over Duitsland (1933-1945) achtereenvolgens rijksbouwmeester en minister van bewapening. Na de oorlog werd hij veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf; hij hield in die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Spandauer Tagebücher.

2. April 1952
Der amerikanische Direktor [van de gevangenis] hat mitgeteilt, daß er uns zum Korbflechten heranziehen will. Das ist in unseren Augen diskriminierend und mit dem Urteil von Nürnberg nicht zn vereinbaren. Wir sind nicht zu Zuchthaus oder Zwangsarbeit verurteilt.
Nach gemeinsamer Beratung sind wir uns alle darin einig, daß wir hartbleiben mussen. Ich erhalte den Auftrag, meinem Coburger Freund zu schreiben, er solle den Anwalt von Dönitz fragen, ob eine Weigerung Bestrafung rechtfertigen würde oder gar die Aussicht auf eine Amnestie beeintrachtigen könnte.

8. April 1952
Kranzbühlers Antwort traf heute ein: Wir sollten zwar keine Zwischenfälle provozieren, aber Strafen seien für eine eventuelle Amnestie bedeutungslos. Der Anwalt scheint sich über unsere Lage Illusionen zu machen, wenn er uns gleichzeitig mitteilt, es sei wesentlich, daß die Westdirektoren uns als Herren ansehen!

11. April 1952
Als wir heute vormittag aufgefordert wurden, in die Halle zu kommen, um das Korbflechten zu lernen, erklärten wir übereinstimmend, daß uns diese Arbeit ausdrücklich befohlen werden müsse. Aber unter den anwesenden Wartern fand sich niemand, der das Machtwort sprechen wollte. Darauf zogen wir uns wortlos in unsere Zellen zurück und ließen den mürrischen John Hawker mit seinen Weidenruten allein. Hawker war während der letzten Woche ausgerechnet im Irrenhaus Wittenau in die Kunst des Korbflechtens eingewiesen worden. Einige Stunden später teilte uns der amerikanische Direktor mit, daß wir keine Körbe flechten müßten. Der russische Direktor dagegen, der die ganze Idee ursprünglich abgelehnt hatte, anderte angesichts unseres Widerstands seine Meinung: jetzt setzte er alles daran, uns Körbe flechten zu lassen.

vrijdag 1 april 2016

Henry Matthews -- 1 april 1819

Henry Matthews (1789-1828) was een Britse rechter. Van 1817-1819 maakte hij een reis door Zuid-Europa, waarvan hij een dagboek bijhield. Dit is ook in het Nederlands vertaald.

Den 1sten April. De Garonne afgezakt naar Bourdeaux. De lengte van deze reis hangt geheel van de hoogte der rivier af. Somwijlen wordt zij in tweemaal vier en twintig uren gedaan; maar doorgaans duurt zij vier volle dagen. Men ontmoet onder weg weinig bijzonders. Er zijn zeker hier en daar eenige schilderachtige plekjes, maar zij zijn niet talrijk. Het is over het geheel eene onaangename reis: — men weet hier niets van geregeld varende beurtschepen, en de eenige vaartuigen, waarvan men zich bedient, zijn kleine, platgeboomde schuiten, zonder dek, of eenige andere beschutting tegen de afwisselingen van het weder, dan eene tent, welke de reiziger, wanneer hij er behoefte aan voelt, zich zelf moet weten aanteschaffen. Is het water laag, dan ziet men zich gedurig in gevaar, om aan den grond te raken; en men is nooit zeker, of men ter plaatse, waar men gedurende den nacht stil blijft liggen, eene goede herberg vinden zal. By aangenaam weder evenwel heeft men geen reden om zich ergens over te beklagen. Men gebruikt op de Garonne eene soort van koornmolens, die misschien met voordeel op onze rivieren zou kunnen worden ingevoerd. Het is een eenvoudig zamenstel van hout, dat te gelijk ook de woning van den Molenaar bevat, en gebouwd is op eene stevige platgeboomde boot, welke men op stroom weet vast te leggen door middel van zware ijzeren kettingen. De stroomingen zijn zeer snel, en de Garonne is aan plotselijke en sterke vloeden onderhevig; de molens echter zijn tegen dit alles bestand, en men vindt tusschen Toulouse en Bourdeaux bijkans geene strooming in de rivier zonder dezelve.

Er zijn enkele bijzonder fraaije gezigten; vooral bij den mond van de Lot, waar men de stad en het kasteel van Aiguillon voor zich ziet; en te La Réole, waar onlangs een oud Benediktijner klooster in een Hotel voor den Prefect veranderd is, hetwelk met de omliggende landstreek een zeer schoon geheel oplevert. Eerst in den avond van den vijfden dag kregen wij Bourdeaux in het gezigt. Het landschap wordt fraaijer naar gelange men de rivier verder afzakt, en de omstreken der stad zijn allerheerlijkst. Zij zelve doet zich zeer schoon voor; ik zou bijkans zeggen, niet minder schoon dan Lissabon, De rivier, die veeleer een arm van de zee schijnt te zijn, neemt hier een draai, en de stad vormt met hare kaaijen op den linker oever eene prachtige halve maan, waarvan men den ganschen omtrek met een enkelen oogopslag overziet. De regter oever is rijk bebouwd; vol wouden, wijngaarden en landhoeven. De bogen van eene steenen brug zijn voltooid, en het bovenwerk zal binnen kort gereed zijn. Het geheel zal eene overheerlijke werking doen. De uitvoering van dit plan, aan welker mogelijkheid men lang getwijfeld heeft, is eene schitterende proef van het vernuft en van de bekwaamheid van den Bouwmeester.

Zoodanig is het gezigt op Bourdeaux. De stad zal verreweg de fraaiste van gansch Frankrijk zijn, wanneer men de nieuwe gebouwen in de voorstad van Chartron zal voltooid hebben, volgens het bestek, 't welk men van dit werk in den beginne gemaakt heeft. De Chapeau-Rouge is reeds, — en nog bestaat zij slechts voor een gedeelte , — eene der schoonste straten van Europa. Hier vindt men den Schouwburg, waarvan de voorgevel een model van schoonheid is; en de straat loopt uit op de Beurs, de kaai, en de rivier, met hare menigte van schepen. Vaartuigen van allerlei grootte kunnen tot voor Bourdeaux toe opzeilen. Onlangs heeft men voor Ferdinand van Spanje een Fregat en twee Brikken gebouwd, die tegenwoordig uitgerust worden voor de groote expeditie naar Zuid-Amerika.


Den 10den. Alles is te Bourdeaux op eene, ruime schaal aangelegd; de wandelingen zijn zeer fraai, en de openbare gebouwen talrijk en prachtig. De Hoofdkerk, gelijk met vele van de schoonste Gothische gebouwen in Frankrijk het geval is, werd door de Engelschen gebouwd, terwijl zij dit gedeelte des lands als meesters bewoonden. Men betaalt hier voor kost en inwoning iets meer dan te Toulouse. De gewone prijs van eene pension is te Bourdeaux, de kamerhuur er onder begrepen, acht francs daags.