maandag 30 juni 2014

Alexandra Radius -- 2 juli 1981

Alexandra Radius (1942) is een Nederlandse ballerina. Begin juli 1981 hield ze voor NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.

Donderdag
9.15 opgestaan. Viel vannacht moeilijk in slaap. Werd gewekt door telefoon: Bum Verbiesen. Een man die schrijft voor een of ander roddelblaadje. Vraagt om een kaartje. Bij mijn negatieve antwoord, weet hij meteen te melden, dat in de Volkskrant staat dat ik te oud zou zijn voor Aurora in Sleeping Beauty. Mooi begin van mijn premièredag! Wat zijn sommige mensen toch aardig. Zulke journalisten kunnen zelfs geen kranten lézen!
11.00 u. Les van Sonia Marchiolli, een heerlijke les. 12.15 u. Nog wat correcties en vervelende nieuwe veranderingen gekregen. 15.00 u. Gerust en wonderwel echt geslapen. 16.30 u. Licht gegeten, heeft me niet gesmaakt. 17.45 u. Ga naar theater, word thuis te nerveus. Vraag Han om alsjeblieft achter te komen na de eerste akte. Doe dezelfde voorbereidingen als gisteren, alleen is mijn warming-up veel langer. Dan begint de voorstelling en ik krijg er echt zin in. 23.45 u. De voorstelling een TRIOMF! Dansers, orkest, technisch personeel, kostuum-afdeling, alles liep perfect. Was echt een droomavond. Mijn Rozenadagio ging nog beter dan op de generale. En alle pas-de-deux met Henny liepen heerlijk. We zijn allemaal gelukkig. Champagne op het toneel. 24.00 u. Aurora is nu écht jarig! De hele groep zingt Happy Birthday. Iedereen uitgelaten. Veel vrienden komen me in de kleedkamer opzoeken. Heerlijk zo veel als er gekomen zijn. Snel alles af en uit. Nog een party bij Rudi thuis. Mijn kleedkamer is één bloemenzee en ik ben overladen met cadeaus. 2.00 u. Naar huis om nog even met ons beiden, plus twee vrienden. Joop en Wim, die blijven logeren, op verhaal te komen. 3.30 u. Naar bed. Heel tevreden, doodmoe. 4.00 u. Han zegt: 'Nu je mond houden en slapen.' Het was een geweldige dag. Toch weer al deze spanningen waard.

Wim Verstappen -- 1 juli 1977

Wim Verstappen (1937-2004) was een Nederlandse filmregisseur. Van 29 juni tot 6 juli 1977 hield hij voor NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij, toen hij bezig was met de Vestdijk-verfilming Pastorale 1943.

Vrijdag [1 juli]
Eerste draaidag. Om kwart over zes pik ik overbuurvrouw-regieassistente Vivian Pieters op en rij naar een boerderij in Li en den waar om half tien het eerste shot er op staat: Hein Boele en Pim Vosmaer (als onderduikers, de Joodse Cohen en de Indische Jan Intveld) die de boerderij verlaten om een weekend in Amsterdam vakantie te nemen, de eerste stap in wat een van de grootste scènes in de film gaat worden, hoe Cohen uit de band breekt en doet wat hij niet doen kan, de trein naar Amsterdam neemt en daar ook zonder problemen komt, op de terugweg ook door alle controles heenzwijnt, niet weet dat de boerderij intussen verraden is, en door Duitsers opgepakt wordt vijf minuten nadat hij weer terug is. Het is even spannend hoe of de acteurs het zullen gaan doen. Veel mensen menen dat je daar als regisseur wel wat aan doen kan, maar dat is een van de grote misvattingen over mijn vak. Een goed acteur is een goed acteur, en een slecht acteur kan je niet echt oppeppen tot grote prestaties. Pim Vosmaer, vers van de Arnhemse toneelschool, doet het heel goed en houdt ook bij veel repetities de spanning van de eerste keer vast, iets waar acteurs het wel eens lastig mee hebben. Hein Boele gaat de rol van zijn leven spelen, is onze indruk. De crew haalt opgelucht adem. Met de rolbezetting zit het dus goed. Een fotograaf van 'onze bladen' staat op de set (iedereen kankert altijd graag op de Telegraaf en ik lees zelf de krant ook niet vaak, maar het blijven de beste news-getters van Nederland; ik bedoel ze staan er nu toch en de kunstredacties van de andere kranten zijn straks dan maar weer kwaad dat zij de primeur niet hebben), en deze fotograaf stelt, als hij ziet dat we in een koeiestal draaien, voor dan maar een prent te maken waarop de acteurs hun koppen door de staken steken. Dat lijkt hem wel leuk. Hitchcock heeft wel eens gezegd dat acteurs vee zijn, maar daarom zijn het nog geen koeien, zeg ik.

Zaterdag [2 juli]
De boer toont mij 'de krant'. Mensen die de Telegraaf lezen, noemen dat ding altijd de krant', alsof het de enige in Nederland zou zijn. De fotograaf heeft een schitterende foto gemaakt gisteren. Zowel zijn eerste indruk over de film als mijn eerste indruk over hem blijken dus fout geweest te zijn. Her artikel bij de foto citeert mij, ik geef een kat naar mijn film Alicia. Het afgelopen jaar heb ik echter met geen enkel lid van de kunstredactie van die krant gesproken, en ik vind zelf Alicia een erg aardige film die ik nooit af zal vallen. Wat moet ik? Een ingezonden stuk aan de Telegraaf sturen? Een brief naar Hugo Metsers, Willeke van Ammelrooy en Mijanou van Baarsel sturen dat ik helemaal niet negatief denk over die film waar zij zich zo voor ingezet hebben? Er zijn nu al heel wat acteurs voor de camera geweest, en ik wil nu nóg wel eens iemand tegenkomen die beweert dat Vestdijk bloedeloos is. De acteurs hebben niet de minste moeite met begrip voor wat ze spelen moeten, en dat komt toch omdat de oude Vestdijk in zijn roman afgeronde en complete portretten van volbloed mensen geschilderd heeft.

zondag 29 juni 2014

Herman Paul -- 30 juni 2013

Herman Paul (1978) is godsdienstwetenschapper. Voor 'De jonge akademie' hield hij twee weken een dagboek bij.

Zondag
Leve de zondag, met zijn heilzame relativering van al onze drukte! Dat begint in de kerk, doorgaans, al blijf ik ditmaal met de kleine thuis, zodat mijn vrouw naar de kerk kan. Ik luister via internet mee en denk bij de gemeentezang die krakend uit mijn laptop komt aan een uitspraak van Frits van der Meer, de katholieke kunsthistoricus: ‘Ik heb wel eens gedacht dat de kerken van de Reformatie voortleven krachtens twee dingen: het stille lezen van de Schrift, en het niet aflaten van met man en macht samen te zingen.’

Ook de rest van de zondag staat in het teken van rust. Ik lees de kranten van de afgelopen dagen, begin in een stevig, Duitstalig boek, ben ’s middags aan de beurt om naar de kerk te gaan, praat na afloop met een paar vrienden bij en luister ’s avonds samen met mijn geliefde naar een cd met Renaissance-muziek van Jean Richafort. Op het Requium in memoriam Josquin des Prez valt onze kleine meid spontaan in slaap...

Michel Leiris -- 29 juni 1934

Michel Leiris (1901-1990) was een Franse etholoog, dichter en schrijver. In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922 - 1989.

27 juni
Naar aanleiding van mijn boek spreekt Marie Bonaparte over 'masochistische passiviteit'. Ze bedoelt dat in verwijtende zin. Haar gelijkenis met Maurice Rostand doet mij denken aan moeder Mac-Mich. Ik geef haar als uitleg aangaande mijn idee van subjectiviteit: dat ik door deze subjectiviteit naar haar toppunt te voeren, door me zo particulier, persoonlijk mogelijk te tonen, object word voor de anderen.

29 juni
Hervatting van de analyse bij Borel. Belang van Malkam Ayyahou.
Dr. Odier zegt tegen Jeannine, over mijn boek: 'Het exhibitionisme van een kleine jongen.'

30 juni
Droom: als ik aan het einde van een openbare bijeenkomst (in het Trocadéro?) Marie Bonaparte tegenkom, pakt zij mijn rechterhand, neemt het middelste vingerkootje van mijn gekromde wijsvinger tussen haar tanden en blijft zo tamelijk lang al pratend doorlopen. Ze nodigt me uit gauw eens bij haar te komen, zodat ze verder kan gaan te zeggen wat zij van mijn boek denkt, maar ik kijk in mijn agenda en kan geen enkele vrije dag vinden.
Er is een film vertoond over een componist. In een van de liederen - die gezongen werden door de jeune premier (een Oostenrijks officier met snor en in een rijk met koorden versierd huzarenjasje) - kwam het woord marcade voor, een samentrekking van het woord marquise en de naam van een bloem - een woord dat me bovendien deed denken aan Arcade en Désirade, de personages uit het stuk van [Roger] Vitrac. Het is een burlesk chanson (dat voor mij vertaald wordt), waarin de spot wordt gedreven met de componist: 'Als hij dirigeert, vertraag dan al zijn bewegingen maar.' {Dit is gericht tot de cameramannen zelf.}
Andere droom: onder de metro die op de boulevard de Grenelle bovengronds loopt, staat een arbeider te praten over de oorlog van '14-'18: 'Een compagnie vernietigd door de storm ... Toen dat werd rondverteld, ... Ach! de arme stakkers ... Het was wel iets anders dan een storm!' Na een pauze: 'Maar te hopen dat ze geen nieuwe oorlog voorbereiden ...'

Vertaling: Michel van Nieuwstadt

Käthe Kollwitz -- 28 juni 1921

Käthe Kollwitz (1867–1945) was een Duitse kunstenares. Haar dagboeken zijn gepubliceerd onder de titel Die Tagebücher.

28. Juni 1921 Gertrud und Ottilie heut wie Elisabeth und Maria. Beide hochschwanger.
Mutter gestern mit so ganz freundlich gütigem Ton zu mir: "Komm doch ein bißchen häufiger zu mir rüber!"
Mit Karl zusammen im Großen Schauspielhaus 'Die Weber' gesehn. Aufpeitschende Wirkung der Massenszenen. "Jäger soll rauskommen! Jäger soll rauskommen! Hölz soll rauskommen."
Etwas von dem Gefühl wie damals, als ich zum ersten Mal die 'Weber' sah, kam über mich. Von dem Gefühl, das die Weber treibt, das Auge um Auge - Zahn um Zahn, das Gefühl, das ich damals hatte, als ich die 'Weber' machte. Meine 'Weber'.
Inzwischen hab ich eine Revolution mitdurchgemacht und hab mich davon überzeugt, daß ich kein Revolutionär bin. Mein Kindertraum, auf der Barrikade zu fallen, wird schwerlich in Erfüllung gehn, weil ich schwerlich auf eine Barrikade gehn würde seitdem ich in Wirklichkeit weiß, wie es da ist. So weiß ich jetzt, in was für einer Illusion ich die ganzen Jahre gelebt habe, glaubte Revolutionär zu sein und war nur Evolutionär, ja mitunter weiß ich nicht, ob ich überhaupt Sozialist bin, ob ich nicht vielmehr Demokrat bin. Wie gut es ist, wenn die Wirklichkeit einen auf Herz und Nieren prüft und einen ohne Beschönigung an die Stelle stellt, die man aus seiner Illusion heraus nie für die richtige nahm. Mit Konrad ist es glaub ich etwas Ahnliches. Ja - er auch ich waren wohl fähig gewesen revolutionär zu handeln, wenn die wirkliche Revolution das Gesicht gehabt hätte, das wir an ihr erwarteten. Da sie aber eine höchst irdische schlackenhafte unideale Erscheinung in Wirklichkeit zeigte - jede wohl zeigen muß - haben wir genug von ihr. Kommt aber ein Künstler wie Hauptmann [auteur van Die Weber] und zeigt uns Revolution in künstlerischer Verklärung, so fühlen wir uns auch wieder als Revolutionäre, verfallen in die alte Täuschung.
Interessanter Abend im Sozialwissenschaftlichen Verein über Georgien. Kautsky und Bernstein anwesend und leidenschaftlich für Georgien sprechend. Holitscher spielte eine traurige Figur.
Was ist es nur mit Otty? Seit Wochen wartet sie auf die Entbindung und es kommt und kommt nicht.

donderdag 26 juni 2014

Martha Feitsma -- 27 juni 1923

Martha Feitsma (1907-1944) was een Leeuwardens meisje van joodse komaf. Ze overleed in Auschwitz. In 1922/'23 hield ze een dagboek ('Uit mijn bakvischtijd', pdf) bij.

Woensd. 27. Juni. Uit de datum blijkt wel dat ik een heelen tijd m’n dagboeken gestaakt heb. Dat kwam omdat Grieteke er mee opgehouden is en toen was bij mij de animo ook weg. Maar toen ik dit dierbaar document weer in handen kreeg, bekroop mij de lust om er maar weer mee door te gaan. Ik ben in de winter naar 5 bals geweest en op elk bal waar Appie de Vries was, heeft hij mij gevraagd voor de polonaise.
 30 Mei waren we met Juffrouw Kreuiter en de heele klas naar Giethoorn en Vollenhove. Eerst met den trein tot Steenwijk en toen verder den heelen dag gefietst. ’t Was jammer dat het om 12 uur begon te regenen want toen hebben we niet kunnen punteren in Giethoorn.
Nu is er groot nieuws: Ik tennis ( geen tannis uitspreken! ) Dat komt zoo : Er is hier een Joodsche tennisclub opgericht voor personen boven de 18 jaar en nu werd besloten er een adspirantclub aan toe te voegen voor persoone ( wèl kinderen ) benèden de 18 jaar, waaronder ook mijn persoontje behoort. Onze club is niet zòo leuk. Maar affijn er behoren toe: Juut en Becca van der Kaars, Emiel van de Heyden, Betty en Leo van der Heyden, Jo Dwinger, Jules Cohen, Louis Cohen, Meyer Velleman en lest best: Ik. Nu is het gekke dat wij alleen mogen spelen onder toezicht van één van de grooten n.l. Mevrouw Leefsma, Meneer Dito, Mr. van Kollem, Mevr Dito, Hanie Klein, Jaap Cohen en { Louis Sanders en Erie Pinto } die ik een paar leuke jongens vind. Donderdag ’s Avonds heerlijk getennisd alleen jammer van een kleine kijfpartij. Er stond namelijk op een lijst die daar hangt dat we tot 9 uur onder toezicht stonden, maar wij dachten dat we nog wel even mochten doorspelen. hoor. Maar nee. Klokslag 9 uur moesten de kleintjes ophouden! en de 4 grooten! die er waren begonnen te spelen. Om razend te worden. Maar Daniël!!!!

Vrijdag 29 Juni. Na 4 uur weer gespield en we hebben  reuze gelachen want er was geen verkeersagent! Ik heb niets heel gewichtigs vergeten. Ik heb een mantelpak. Van Saarke heb ik „aan de Zonzijde gelezen.” Heel mooi.

Woensdag 11 Juli 1923  Dit was een heel gewichtige dag  voor mij, want er hing een groot deel van m’n verder leven !!!! vanaf. Want als ik zou zakken, dan moest ik in de huishouding en dus al die werkjes als kousen stoppen, kopjes wasschen enz doen en ik kan gerust zeggen dat ik alle die dingen vreeselijk vind Maar gelukkig ben ik overgekomen en wel naar de 4e Klasse MHBS. Tante Jette is ook hier gekomen met haar 3-tallig kroost. De oudste is bij ons en ik heb er heel wat mee te doen want hij is al om 6 uur wakker en dus ik idem dito.


woensdag 25 juni 2014

Oskar A.H. Schmitz -- 26 juni 1906

Oscar Adolf Hermann Schmitz (1873-1931) was een Duitse schrijver. Fragmenten uit zijn dagboeken staan online bij Gutenberg.

26. Juni.
Samstag Abends mit Franzi nach Isle-Adam gefahren. Abends bei Dreyfus im Garten. Wir bewohnten, wie schon am vorigen Sonntag mit den Mädchen, unser neues Haus. Sonntag ein nasser, trauriger Morgen. Rudern unmöglich, Baden unmöglich. Alle hübschen Plätze sind propriété privée. Ich möchte mich endlich einmal wieder ausdehnen können, meine Seele an die Außenwelt hingeben, nicht wie jetzt schon solange sie umspinnen mit tausend Plänen, Hoffnungen, Gedanken und Arbeiten, um mich gegen die Außenwelt zu schützen. Das Leben sollte wieder einmal selbst etwas sein. Nachmittags mit Dreyfus in schöner Flußlandschaft in Heuhaufen ausgeruht, abends bei ihnen im Garten. Ich war sehr matt und etwas verstimmt, habe, glaube ich, infolgedessen mißfallen. Andere erwecken in solcher Stimmung Teilnahme, ich mindestens Befremden, wenn nicht Abneigung.

Gestern unangenehme Aufregung in der Scheidungssache. Man will mir zur verdammten Pflicht machen, was ich ja gern freiwillig täte, nämlich für Louisa zu sorgen, bis sie ihre Ausbildung in dem neuen Beruf vollendet hat. In Franzis Beisein schreibe ich abends an Louisa. Dann erzählt er mir seine schlechten Erfahrungen in der Kaulbachstraße. Suchocki hat ihn schofel genannt, nachdem er 3 Jahre von ihm gelebt und am Schluß eine Kleinigkeit nicht nach seinem Wunsche erhielt. Die vollkommene Besitzlosigkeit scheint doch zur Rancune und zum Undank zu prädisponieren. Was habe ich alles für Louisa getan! Aber nun ist das alles selbstverständlich und von Dank keine Spur. Ein klein wenig, genügend zur Unabhängigkeit muß man doch offenbar besitzen, um ein Gentleman, d. h. ein bis ins Kleinste anständiger Mensch sein zu können.

dinsdag 24 juni 2014

Helena Colijn-Groenenberg -- 25 juni 1942

Helena Colijn-Groenenberg (1867-1947) was de vrouw van de Nederlandse politicus Hendrik Colijn. In de oorlogsjaren, tijdens een gedwongen verblijf in Thüringen in Duitsland, hield ze een dagboek bij dat is verschenen als Dagboek van mevrouw Colijn.

25 juni 1942
Wij herdenken de geboortedag van [zoon] Henk. Waar is hij? En waar zijn al onze zonen met hun kinderen? Maar niet al te veel denken, anders wordt het bij mij leelijk mis. Ik ga jullie liever vertellen dat Oom Piet op 20 Juni hier binnen kwam stappen. Wat een vreugde! Wij hadden drie gezellige dagen. 23 Juni moest hij weer vertrekken; die dagen waren te snel voorbij. Het weer was prachtig! Oom Piet genoot er ook van. Op Vaders verjaardag waren wij dus niet zoo alleen. Er was veel te praten. Oom Piet behandelt voor Vader familiezaken.

maandag 23 juni 2014

Nina d'Aubigny von Engelbrunner -- 24 juni 1790

Nina d’Aubigny (1770–1847) was een Duitse zangeres en schrijfster van een dagboek over haar verblijf in Nederland.

De 23ste [juni 1790] te Neunkirchen in de tuin van de postmeester van een stopplaats bij Paderborn Ik zet mijn verhaal voort. Toen we eenmaal goed wakker waren, gebruikten we - terwijl de paarden gewisseld werden - een heel onsmakelijk ontbijt te Ossendorf. Mijn vader stapte het rijtuig uit om te voet de weg over een vreselijke berg af te leggen. Dit maakte ons erg ongerust, omdat we hem al enkele mijlen achtereen uit het oog hadden verloren, en we ons niet konden voorstellen dat hij in zo'n afgelegen gebied wegen zou kennen die hem sneller zouden doen lopen dan vier postpaarden. We wisten niet of het beter zou zijn terug te keren, dan wel onze weg naar Paderborn te vervolgen. Tenslotte ontdekten we, met behulp van de scherpe ogen van de heer De S-, dat hij ver voor ons uit liep. Ik vergat melding te maken van een Benedictijns klooster genaamd Hardenhausen. Tot mijn grote ongenoegen moesten we het passeren zonder een bezoek te brengen aan dc hoogheilige heren. Ik verzeker u dat dit het mooiste klooster is dat ik ben tegengekomen. Ik begrijp goed de nare gevoelens die deze arme paters moeten hebben nu de Franse grondwet ze heeft teruggeworpen in de wereld. Vooral diegenen die de mooiste bezittingen hebben zijn de dupe.
Vlak bij Paderborn werden de paarden gewisseld met die van de Prins van Valois en Prins Louis. Paderborn is een heel oude, kleine stad. We gebruikten er het diner. Tegen vijf uur, na het diner en na u een brief te hebben geschreven, gingen we naar bed teneinde om middernacht te kunnen vertrekken. De slaap drukte zwaar op onze oogleden. Na een paar uur te hebben geslapen wekte Susette mij en kleedden we ons haastig weer aan, omdat we dachten dat de dag al ver genoeg gevorderd was om te vertrekken. Toen we bepakt en bezakt de kamer van mijn vader wilden opzoeken, vertelde een meisje ons toevallig dat het pas negen uur 's avonds was. Flink boos over deze onbezonnen streek zat er voor ons niets anders op dan maar weer naar bed te gaan. Een geborduurd kleed scheidde ons bed van een grote zaal waarheen diegenen zich begaven die met de post wilden vertrekken. Daar hadden wc geen last van, behalve een beetje van de vier Indiërs die naar Parijs en Amsterdam vertrokken. Na voor de tweede keer de hulp van Morpheus te hebben ingeroepen, werd ik voor dc tweede keer gewekt, nu door Mama. Voor de tweede keer toilet maken, voor de tweede keer op zoek naar mijn vaders kamer en .... tweede ramp, zelfs nog erger dan de eerste. We vonden mijn vader, die juist op het punt stond naar bed te gaan. De postmeester wil ons niet laten vertrekken met minder dan zes paarden en twee postiljons, maar Vader wil niet toegeven, omdat de reis dan een derde duurder zou worden.
Omdat we toch niets konden beslissen, kozen we voor de derde keer de weg naar bed. Men vertrouwde mij het sluiten van de deur toe, maar – waardoor weet ik niet – dat lukte niet goed. Het ongeluk achtervolgde ons deze nacht. Ongestoord kleedden we ons uit en op het moment dat we alle drie in ons hemd stonden, ging dc deur open en kwam er iemand binnen die ik niet kon herkennen. We slaakten allemaal een kreet, maar de persoon in kwestie werd daardoor helemaal niet bang en ging pas de kamer uit nadat we hard hadden gegild dat hij beslist niet in zijn eigen kamer was. Later hoorden we dat het een non was geweest, die vermoedelijk dacht dat ze te midden van haar zusters was terechtgekomen. We gingen weer slapen en om 6 uur werden we door mijn vader gewekt. Hij had zoveel misbaar gemaakt dat de postmeester toegaf en twee van de paarden wilde terugsturen.
Henri had zoals gewoonlijk de zotheid naar een café te gaan omdat hij geen ogenblik had geloofd dat we zonder hem zouden kunnen vertrekken, maar we lieten hem er in lopen en hij moest ons te voet volgen. Een kleine mijl van Paderborn ligt Neuhaus. de residentie van de bisschop van Paderborn. We aten te Kaug een heerlijke maaltijd die uit pompernikkel [grof Westfaals roggebrood], boter, Hollandse kaas en goed bier bestond. Toen we het dorp uitgingen werd ons rijtuig omringd door een troep kinderen – sommigen zongen, anderen speelden op de flageolet. 'Het is hier het land van de melomanen,' riep iedereen. Eerst gaven we ze geld, maar omdat we ze niet konden doen ophouden, moesten we ze afschrikken door hen stokslagen te beloven.
Ik heb nooit mooiere akkers gezien dan die in Westfalen; elk domein wordt omgeven door een echt stuk bos dat aan de eigenaar van de hofstede behoort. Ik denk dat, zodra we genoeg kapitaal hebben om een stuk land te kopen, ik alleen in dit land mijn keuze zal maken. Het roggebrood en de Westfaalse hammen hebben een geweldige uitwerking op de inwoners. Ze zien er allemaal zo mollig en weldoorvoed uit dat je zou menen Katholieke priesters te zien. We aten wat groenten in Neuenkirchen en vertrokken meteen daarna naar Herschied. Maar alvorens verder te gaan moet ik nog een woord van lof spreken over de postmeester te Neuenkirchen. Ja, dat is wel de grootste schelm aller schelmen, die postmeester die zich vrij voelt om de reiziger af te zetten en die streng de hand houdt aan alle tarieven voor zover dat in zijn voordeel is, maar die er zich – op mijn woord – zelf nooit aan houdt. Als dat zo doorgaat zal men zich met goud en juwelen moeten laten behangen om te kunnen voldoen aan de gelddorst van deze ellendelingen. Mijn vader had het plan om de gravin van Rehda, een groot musicienne, te gaan opzoeken, maar de post heeft in Rehda geen stopplaats en daarom stopten wij daar niet. Toen we langs de poort van Rehda reden gingen de graaf en zijn hele gevolg juist op jacht. Er brak een flink onweer los, dat de reizigers goed deed. Ik zou nog wel een stopplaats verder hebben willen rijden, maar mijn vader was moe en wilde rusten. Ons bed in Herzebrock werd slechts gevormd door een paar stoelen, maar – hoewel dit geen grote herberg was – werden we er beter bediend dan in andere. Het deed me goed te constateren hoe ijverig iedereen hier is, en ik werd vooral getroffen door de manier waarop ze hier de mestvaalt maken. Die lijkt hier precies op die van Kliggog. Het is opmerkelijk hoe anders de mensen hier zijn dan in Hessen.

zondag 22 juni 2014

Minnie Goetze -- 23 juni 1976

• Minnie Goetze is de hoofdpersoon van het fictieve maar min of meer autobiografische The Diary of a Teenage Girl (binnenkort ook verfilmd) van de Amerikaanse schrijfster-striptekenares Phoebe Gloeckner (1960).

June 23
I'll never get to sleep with Fred. I'll never see him again. In a way, it s a relief.
He attacked one of the nurses at Mt. Zion and they transferred him to Vacaville, to some kind of mental institution/prison.
Chuck said he smashed a potted plant on the nurse's head when she went into his room to give him his medication. He ripped her clothes and pushed her under his bed. He wouldn't let anyone in his room to help her — he held her hostage somehow. Maybe he threatened to kill her. He said he wanted to be released. The police finally got him by coming in through an outside window. The nurse isn't dead, but some of the bones around her eye were smashed, and she was unconscious. I wonder if she was one of the nurses I met there. I remember a really pretty one with long blond hair.
Chuck says that Fred will probably be in Vacaville for years.
It really is so hard to believe that I was so close to really getting involved with him. It s so sad. I wonder what made him that way?
Even Chuck has second thoughts about calling Fred now after what happened, even though they were best friends.
I am definitely tired of my emotionless sex life.
I got fucked by Ricky today. It was weird. He was in San Francisco, so he called and he said he wanted to talk. He came to my house and met my mom briefly, then we went to Julius Kahn Park and walked around. Of course, we couldn't really talk we just fucked. Not only do I no longer feel a damn thing in my heart for the dear boy, but it was also the worst fuck I have ever had.
Later, my mom said she thought he wasn't as cute as I said he was. She said he looks skinny, but he's got a flabby ass. And she didnt think he was very polite.
I was also fucked by Monroe. Substantially better, but only slight physical titillations. I suppose today was just not my day. I was simply socially uninspired.
Monroe nags me about how I'm going to grow up to be sexually jaded. What the heil does "jaded" mean? I'm going to have had too much too soon and I'm not going to be able to have any fulfilling sexual-emotional relationships with anyone because I take sex too lightly, too impersonally. He should tell me now! He always acts like he wants me to fuck everybody, and we were hardly in love when this whole thing started!
For the past week, I have been growing paler and there are circles under my eyes. I think tomorrow I will go sit under the sky.
Monroe is on the couch, sleeping.

Virginie Loveling -- 22 juni 1917

Virginie Loveling (1836-1923), zus van schrijfster Rosalie Loveling en nicht van schrijver Cyriel Buysse, was een Vlaamse schrijfster en dichteres. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze een Oorlogsdagboek bij.

22 juni '17. Vrijdag
Een dezer dagen gingen twee juffrouwen rond om geld in te zamelen voor een liefdadig doel, genaamd het ‘Half Kluitjes Werk.’ Ze belden ook aan bij oogmeester S. Hij zat in zijn kabinet, waar ze werden binnengeleid. Hij rees niet op. Een hunner meldde hem het doel der komst. Ze sprak Fransch.
‘Kent ge geen Vlaamsch?’ vroeg hij.
‘Ik ben gewend Fransch te spreken.’
‘Ha, ge spreekt Fransch! Zijt ge niet beschaamd voor de dochter van een vlaamschen notaris?’ zei hij en allerlei scheldwoorden vloeiden uit zijn mond. Hij was opgestaan en sloeg zijn vuist uit en trof in haar aangezicht. Een ongelukkige slag. Het bloed spatte uit haar neus. Hij moest het stelpen met een prop. De meisjes liepen de deur uit, de eene heel bebloed; in de hevigste ontsteltenis kwamen ze bij hun ouders aan. Op bevel van een gehaalden dokter moest de gekwetste te bed blijven. Een geding is ingespannen.
Voortdurend koud weder, geen zomer te krijgen, niets dat in het tuintje behoorlijk groeien kan.

zaterdag 21 juni 2014

Paul Léautaud -- 21 juni 1933

Paul Léautaud (1872-1956) was een Franse schrijver. Onderstaand fragment komt uit Particulier dagboek 1933.

Woensdag 21 juni.- Avond bij M.D. Steeds plezieriger. Zij wordt toch wel wat losser, wat wil zeggen dat zij zich een beetje meer laat gaan. Zij kwam vroeg thuis, waardoor de avond langer werd. Viermaal voor haar. Gelukkig met de tong, anders zou het mij niet lukken. Zij zegt dat zij zich eigenlijk pas na vier keer bevredigd voelt.
Vanavond lag de sleutel ook weer onder de deurmat.
Ik verweet haar bij wijze van grapje, dat zij niet wellustig is (in haar kussen en liefkozingen), niet hartstochtelijk (zelfde laken een pak), dat zij alles zo rustig doet, altijd zo ernstig is, zo serieus, zelfs tijdens het vrijen (dat mij juist zo vrolijk maakt, en mijn geest doet ontwaken), terwijl in de Bibliotheek daarentegen zij zo vrolijk en grappig is, en ik vroeg haar of ik haar soms verlegen maak, waarop zij 'nee' antwoordde. Bij elk verwijt zei zij, met een rustig, klein stemmetje: 'Ga dan ergens anders heen! Je hoeft alleen maar ergens anders heen te gaan!' Dat zette me aan het denken over bepaalde dingen in de toekomst. Ik vroeg haar of zij wraakzuchtig is. Antwoord: 'Ach, welnee! Niet in het minst. Dat is te vermoeiend.' Misschien is het zo, en het is altijd goed om te weten.
Had een aardig, heel spontaan gebaar na haar vierde keer. Ging languit en naakt op het tapijt liggen voor mijn beurt. Nu heeft ze zich in het hoofd gezet dat een opmerking van haar conciërge die zij toevallig hoorde toen zij thuiskwam, te maken heeft met mijn bezoeken aan haar.
Afspraak voor a.s. dinsdag 8 1/2 uur, na het eten, omdat zij tot 8 uur bezig is op de Bibliotheek.
Na het vrijen, tot aan mijn vertrek was ik, zoals altijd, bijzonder op dreef, met een hele heldere geest. Ik had nog wel twee of drie uur kunnen blijven om te kletsen, duizenden-een dingen te vertellen, onder het genot van koffie en een sigaretje. Dit genoegen heb ik niet met de 'Gesel', die ten eerste niets weet van de dingen die mij interesseren-en ten tweede zo op zichzelf gericht is in haar pretenties, dat zij alles tegenspreekt en overal gelijk in wil hebben, zonder dat ze vaak ook maar in het minst begrijpt waar ze het over heeft.

Vertaling: Ed Jongma

donderdag 19 juni 2014

Stijn Streuvels -- 20 juni 1917

Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

19 juni 1917
De vluchtelingen zijn allen gehuisvest en het gaat er goed mee; - klachten hoort men weinig. Ze werken wat mede bij de mensen waar zij inwonen, maar merendeel gaan ze op wandel naar de omliggende dorpen om hun kennissen te bezoeken. Ze spreken een afgrijselijk Frans en hun scherpe stemmen doen vreemd hier langs de eenzame steenweg over de rustigheid van het landschap. Ze praten veel en luide en iets wonders om nagaan en dat misschien de graad van hun geestesontwikkeling aanduidt van die grensbevolking uit Noord-Frankrijk, - ik heb er nog geen enkele gezien die een bewonderende blik geworpen heeft over het landschap dat hier aan onze woning juist zijn pracht openspreidt; voor mensen die hier voor 't eerst komen en nooit anders dan hun roetzwarte huizen en vuile stegen gezien hebben is het niet te begrijpen. Doch zij schijnen aan alles onverschillig zelfs aan hun ongelukkige toestand, en van een ongelooflijke lichtzinnigheid - de meisjes vooral denken enkel aan hun opschik en aan flirten, is 't met geen jongen van hun streek dan maar met een Duitse soldaat...

20 juni 1917
In Kortrijk worden 7.000 werkelozen opgeëist, en ditmaal zijn het niet alleen werkelozen maar mensen van de begoede burgerij en zelfs rijken. Over heel de streek verwacht men hetzelfde en samengebracht met de laatste gebeurtenissen en het bedrijvig leggen van nieuwe ijzerwegen, besluiten de mensen een mogelijke achteruittocht van de Duitsers of een doorbraak van de Engelsen. De paniek komt er in en te Vichte vind ik mensen die hun goeds aan 't inpakken zijn en zich gereed maken om te vluchten. Vandaag werden al de paspo[o]rten ingevraagd en we worden, zegt men, ingelijfd bij het operatiegebied en alle weerbare mannen zullen weggebracht worden, - 't begin van het einde... maar de angst is algemeen.

Friedrich Wilhelm Otto -- 19 juni 1815

• Friedrich Wilhelm Otto (1796-1873) hield een journaal bij van de veldtocht in Frankrijk van het Hanoveriaanse leger na de slag bij Waterloo.

[Daags na de slag bij Waterloo]. Um 10 Uhr am 19ten brach die Brigade vom Schlachtfelde auf um den Feind zu verfolgen. Wir jubelten und meinten in Frankreich und vornämlich in Paris müßte es gute Quartire und Wein genug geben. – Auf dem Schlachtfelde fiel ein verwundeter Soldat auf, welcher in letzten Zügen lag und sich sehr quälte. Der Hauptmann fragte, ob ich jemand töten wolle und G. hielt dem Unglücklichen eine Pistole vor den Kopf und drückte ab – aber die Pistole versagte, G. schauderte und stand von seinem Vorhaben ab. – Nachmittags 6 Uhr ward ein Lager bezogen, doch ohne Lebensmittel. Vom Schlachtfelde hatte mancher noch etwas Brod und Reis, woraus dünne Suppen gekocht wurden, und mit Kesseln hatten sich viel Jäger und auch ich versorgt. Unsere Feldkessel, für Korporalschaften(1) eingerichtet, und von einem Pferde getragen, waren während der Schlacht verloren gegangen. Die Einrichtung taugt übrigens nicht und jeder Soldat muß seinen Kessel haben, wie auch später es wurde.

Den 20sten kamen wir in eine kleine belgische Stadt, wurden daselbst einquartiert und hatten es gut. Den 21sten wurde Nachmittags die Gränze von Frankreich überschritten, und um 4 Uhr kamen wir vor der Festung Maubeuge an, welche bis um 11 Uhr von unserer Brigade belagert, und dann von den Holländern abgelößt wurde(2). Es fehlte an Lebensmitteln und 30-40 Schaafe wurden , glaube ich, gekauft und geschlachtet. – Freund N. und ich erhielte ein Hinterbein, welches abgehauen war, wo das Fleisch anfing. Salz war auch nicht mehr vorhanden und die Mahlzeit fiel dürftig aus. Um 11 Uhr wurde aufgebrochen die Nacht durch und den 22sten bis Nachmittags 3 Uhr marschiert.

dinsdag 17 juni 2014

Paul Klee -- 18 juni 1902

Paul Klee (1879-1940) was een Zwitserse kunstenaar. Tussen 1898 en 1918 hield hij een dagboek bij.

18.6.1902. Wieder in Bern. Ich sprach über Lily und über die Einladung mit meiner Mutter. Man ist bei mir zu Hause gegen nichts, was man nicht kennt. Und gerade deshalb wird Lily [de pianiste Lily Stumpf, met wie Klee in 1906 in het huwelijk zou treden] noch einmal eingeladen. Mit dem Vater sprach ich nicht direkt, er wird schon unterrichtet sein.

Feen sind immer ältlich und etwas streng. Denn sonst müßte in irgendeinem Märchen es doch vorkommen, daß bei den üblichen drie Wünschen der Knabe sich einmal die Fee gewünscht hätte.
Hanslick, Vom musikalischen Schönen, sehr gescheit und nur Theorie. Feuerbach, Ein Vermächtnis.

maandag 16 juni 2014

Theodor Koch-Grünberg -- 17 juni 1899

Theodor Koch-Grünberg was een Duitse antropoloog en ontdekkingsreiziger. Van 1898-1900 nam hij deel aan een expeditie over de Rio Xingu in Brazilië. Daarbij ging het niet altijd van een leien dakje.

Sonnabend, 17. Juni 1899.
Nachts sehr kalt: Min. 6,9. Wilhelm und Adriano in 2 Kanus voraus, urn Joaquim einzuholen und uns dann zu erwarten.- Walter, Jorge und A. über Land.- Die Kanus liegen weit auseinander.- Juan sagte, Dr. Meyer sei schon voraus und so fuhren wir ab; zunächst gute Strecke nach N und NO. Aber der Fluß hat sich geändert.- Eingeengt in seine Ufer strömt er in einzelnen starken Schnellen (Corredeiros) reißend dahin.- Überwinden gut einige davon, wenn auch viel Wasser in unser flaches Boot schlägt.- Werden dann plötzlich in eine furchtbare Schnelle hineingerissen.- Die hochgehenden Wogen überschäumen von allen Seiten unser Kanu; wir sinken rasch! Kaum vermögen wir uns aus den tosenden Wirbeln und der starken Brandung, die uns unwiderstehlich gegen die scharfen Sandsteinfelsen unter Wasser treibt, ans Ufer zu retten.- Juan fängt sein kl. Kleiderbündel.- Sonst ist alles, alles verloren.- 2 Koffer (1 mit Salz und den fertigen schönen Platten vom Fall u.s.w.), fot. Kiste 5, mein Kleidersack mit meiner gesamten Ausrüstung, schöne Flinte, Revolver und Facão, Hut, Stuhl u.s.w. und was mir besonders leid thut, meine schöne Ledertasche mit meinem genau geführten (seit 6. Mai) Tagebuch.- Beinahe wäre ich in dem schweren Drellanzug und Schuhen - ich hatte sie unglücklicherweise gerade heute angelassen -, die mich unter Wasser zogen, ertrunkce.- Nackt und blos stehe ich da, wie einst Rob. Crusoe am Ufer seiner Insel.- Ich habe alles, alles verloren.-Der gr. fot. Apparat mit Stativ, das Stativ des Theodoliten ist auch weggeschwommen.-

[einige Zeilen radiert. Nicht mehr lesbar. M.K.]

Doch da kommen die Übrigen schon angefahrcn.- Ich kann und will die Stimmung allerseits nicht mehr weiter schildern.- Die Eindrücke waren zu furchtbar!- Trotz angestrengten Tauchens finden wir nichts!- Die furchtbare Strömung hat schon alles mit fortgerissen; man kommt gar nicht bis auf den Grund und muß beim Tauchen befürchten, an den zackigen Felsen zu zerschellen.- Elias und Chico, die den Sachen nachgefahren, um noch einiges zu retten, bringen mir meinen Mantelsack (Badetuch, gr. schwarzes fot. Zelttuch) und das fot. Stativ.- Rechts Kamp.- Gehe mit Isidor über Land durch das dicht verschlungene Serradão-Gestrüpp, um unterhalb der nun folgenden Cach. zu den Übrigcn zu stoßen, wo wir Pouso machen wollen.- 3/4 St. anstrengender Marsch.- Man kommt nur meist kriechend weiter. Dann durch Meyer's Rufen und Signale zurückgerufen.- Sie haben die fot. Kiste 5 mit den Entwicklungsinstrumenten zufällig im Vorbeifahren im Wasser liegen sehen und glücklich gehoben. Gott sei Dank! Nun kann ich wenigstens die Films entwickeln.- Meyer hofft auch mit dem kl. Apparat 9:12 einigermaßen brauchbare Bilder zu erzielen, die sich später zu Zeichnungen verwenden lassen, wenn auch die Schleussner Momentplatten fast nichts mehr taugen.- Pouso rechts im Kamp.- Trostlose Stimmung!- Ich habe zu viel verloren!- Noch spät trifft auch Alfons ein, der ebenfalls allein über Land vorausgegangen war.- Suppe und etwas Corned Beef.-Ach leider, zu wenig zum Leben und zum Sterben zu viel.-

zondag 15 juni 2014

O.C.A. van Lidth de Jeude -- 16 juni 1940

Otto van Lidth de Jeude (1881-1952) was een Nederlandse waterbouwkundige en politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Londen. Hij was voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis en vanaf 1942 minister van Oorlog. Over de periode 1940-1945 hield hij een dagboek bij.

16 Juni 1940
Alweer Zondag. Opbeurende boodschap van President Roosevelt aan Minister Reynaud: Hang on. we are redoubling our efforts for you! Zeer loffelijk maar... 48 uren!
Naar de Nederlandsche kerk in Austin Friars onder gehoor van Ds. van Dorp. Zeer goede preek over "het geloof aan gerechtigheid" waarbij aan Jeanne d'Arc herinnerd wordt. HM. [Hare Majesteit] met klein gevolg aanwezig. Daarna lunch met Jhr. van Asch van Wijck in Oddenino-brasserie. Hij is zeer bevriend met Jhr. de Geer, die ook naar zijne meening, volkomen 'déplacé' is in deze omgeving.
Een heel lange regenachtige Zondag-namiddag. Mijn tijdverdrijf is beurtelings een patience te leggen (the foolish delight) en een 'murder-story' te lezen.

17 Juni 1940
Het Fransche kabinet afgetreden. Het kabinet-Pétain met Weygand als vice- premier opgetreden. Frankrijk heeft opgegeven den strijd, die de slag van Frankrijk wordt genoemd. De situatie is verward, een wapenstilstand zal gesloten worden.
14 Mei Nederland, 28 Mei België, 17 Juni Frankrijk! De gebeurtenissen in Frankrijk releveeren al weer onze houding. Wij zijn in oorlog gebleven, al is ons land bezet; de Fransche regeering heeft zich met huid en haar overgegeven. Deze houding wordt hier zwaar bekritiseerd en men vraagt zich af, wat met de Fransche marine gaat gebeuren? Ware het Fransche kabinet naar hier gekomen en had zij de marine ter beschikking van de Engelsche gesteld, dan had zij, evenals wij 'made the best of a rotten situation'. Nu is een hoogst onverkwikkelijke situatie ontstaan, die vérstrekkende gevolgen kan hebben. Arm Frankrijk!
Morgen redevoering Churchill. De Nederlandsche regeering heeft haar standpunt nog niet bepaald, doch naar mijne meening is er maar één koers mogelijk, één met de Engelsche regeering. [...]

May Sarton -- 15 juni 1973

• May Sarton (1912-1995) was een Amerikaanse schrijfster. Een van haar bekendste werken is Journal of a solitude.

15 juni
De witte pioen staat in bloei. Hoe heeft ze de tonnen sneeuw die de sneeuwploeg erover heeft uitgestort overleefd, om me nu dat ene immense wonder van een bloem te presenteren? Ik ga aldoor naar buiten om ernaar te kijken, omdat ik bezig ben een gedicht te herzien dat de witte pioen als beeld gebruikt. Uiteraard is het probleem met herzien dat het koud gedaan kan worden, met verminderde kritische intensiteit. Inspiratie is een kritische blik op zijn scherpst. Vanmorgen voelde ik me bijna wanhopig. De moeilijkheid is om die combinatie weer te geven van dat stevige en toch ook weer vloeiende, wanneer licht en schaduw op de blaadjes spelen. Dat geeft altijd een heel duidelijke tekening, absoluut niet flou, maar het effect is wel vloeiend, nooit strak zoals bij de lis.
Ik vind het afschuwelijk om naar Maine te gaan en de tuin achter te laten gedurende de prachtigste week van het jaar als de lissen en pioenen bloeien, maar ik zit de laatste dagen wel op het randje van uitputting. Het is erg als je in een staat raakt waarin zelfs vreugde teveel kost, waarin eigenlijk alleen donker en slaap welkom zijn. Vanmorgen ben ik tot na negen uur op bed gebleven en heb zowaar tien uur geslapen. (Ik had de vuilnisemmers binnengezet, en behalve wat trammelant tussen de wasbeer en een kat was het een rustige nacht voor een keer.) Hoe kom je tot rust? Ik probeer het door me niet te haasten, door de spanning niet op te laten lopen. Eén stap tegelijk. Het is net omhoogklimmen uit een diepe put.

John Adams -- 14 juni 1773

John Adams (1735-1826) was een Amerikaanse staatsman en de tweede president van de VS. Hij hield gedurende een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

1771. Fryday June 14th.

A fine Morning.

vrijdag 13 juni 2014

Jules Renard -- 13 juni 1904

Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1900-1910 is verschenen in de Privé Domein-reeks.

13 juni
De gemeente. Bezoeken afgelegd, gisteren. Mevrouw Paul. Sommige spieren verlamd, de spieren die de zaak bij elkaar moeten houden, zodat ze alle kanten op valt, het arme mens. De dochter leest de artikelen van de dichter Ponge graag, die van 'meneer Jules' ook. Ze zegt tegen me dat haar vader zich heeft opgeofferd, dat hij heeft gedaan wat hij kon, en ze voegt eraan toe: 'Meneer Jules is trouwens intelligent genoeg om dat te begrijpen.'
Op de weg komen we hem tegen. Een verschrikkelijke onbenul. Een vierkant blok mensenvlees, een gezicht alsof het overal met een klein hamertje is bewerkt, de neusgaten vol zwarte insekten of snuiftabak.
'We wilden net bij u op bezoek komen,' zeggen we.
Stokstijf blijft hij staan: hij weet niet wat er van hem wordt verwacht.
De arme Marinette geeft het kleine meisje dat hij bij de hand houdt, een zoen. We praten wat. Dan gaat hij verder. Hij bevond zich op de weg, hij blijft op de weg staan. Hij nodigt ons niet uit om binnen te komen.
Bij Gâteau. Hij is niet thuis. Zijn vrouw ontvangt ons, ontvangen is een groot woord. Tweeëndertig jaar huishouden en vangen is een groot woord. Tweeëndertig jaar en kwezelarij! Hout! Uitgedroogd, verkoold hout, aangevreten door gierigheid en afgunst. Oh, de arme man die is overgeleverd aan... die kerel! Een dienstmeid die denkt dat God niets anders aan zijn hoofd heeft gehad dan haar wat geld te laten verdienen. Toch zegt ze ons te gaan zitten, maar zelf blijft ze staan. Ze heeft een getrouwde dochter. Uiteindelijk biedt ze ons een glas wijn aan, die ze zo ver mogelijk in haar kelder heeft weggestopt.
'Oh, ik ken u goed, en al zo lang!' zegt ze, alsof ze zich schaamde over de wijze waarop ze ons ontvangt, alsof al het hout waaruit ze is opgetrokken, ieder ogenblik uiteen kan vallen.
Een verschrikking, produkt van een pastoor en een dienstmeid in een vochtige kerk, gemaakt van kaarsvet dat in koud water is gedompeld.

Vertaling: Frans de Haan en Marianne Kaas

donderdag 12 juni 2014

Simon Vinkenoog -- 12 juni 1986

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. Het boek Stadsnatuur bevat zijn dagboek over het eerste halfjaar van 1986.

12 juni 1986   John Anthony West, terug van een reis als gids naar de pyramiden en omstreken in Egypte, babbelt wat af, met Dries en mij. Een panorama van onderwerpen, van Schwaller de Lubicz tot Gurdjieff. Ik munt het woord bestand-gehelen, en uiteraard zet je die in de totali-tijd. Mijn boek Hoogseizoen dateert uit 1961 - en zo'n tijd was het ook: elke gestalte, nog geen naam gegeven door media, massaal of niet, een boven alle andere aangelegenheden uittorenende rol te vervullen. Mij wordt gevraagd: 'Hoe zou je de tijd nu definiëren?'
Geestelijke terreinverkenningen, prenatale mobilisaties. Neoneoplatonisme, terug tot de ideeën in een andere dimensie. De eerste generatie, herinner ik mij Tito zeggen, die mondiaal besef heeft. The global village. Een kostelijk boek wordt me getoond Science made stupid, door Tom Weller. Het wordt tijd dat elke valse leer, die zich alleenzaligmakend en oppermachtig acht, van het voetstuk wordt gestoten. En wie was toch die G.S. die ooit in de Reader's Digest onder het hoofdje 'Opmerkelijke opmerkingen' schreef: 'Een voetstuk geeft je net zo weinig bewegingvrijheid als welke andere kleine ruimte ook?'
Gurdjieff noemt het communisme een massa-psychose; dat is uiteraard elke abstracte theorie, idealistisch of materialistisch, die zich te ver van de alledaagse dynamiek verwijdert. Je aan denkbeelden, geloofs-systemen vasthaken, lijkt me ongezond - lastig trouwens om niet te vermijden als je je in woorden uit. Wat ik los wil gooien, soldeert de lezer misschien weer vast. Benadrukkend de eenheid, dat altijd.
Met Aatje en Christi mee naar Noud en Angela, onderweg naar drukker Van Spijk om 1150 handtekeningen te zetten op de laatste pagina's van wat zijn grafisch oeuvre-catalogus gaat worden. Helmond; een tuin als een park, met huizenhoge rododendronstruiken en een vijver in de vorm van een zwaan, twee houten bruggetjes zonder leuning over de zwanehals. Klein eilandje in de kop is oog. We bespreken de jargons en hun overeenkomstige coderingen: die van fotografen, astrologen en schakers. Het gewenste effect, het speciale effect, special effects, het beoogde doel. Weer rijst de vraag: hoe ziet de tijdgeest eruit? Als je hem tegenkomt, doe hem in elk geval de groeten.
In de drukkerij de vanouds bekende sfeer, kleinschalig, papier en inkt. Zetwerk nog op de linotype. Al die woorden komen weer langs die dit werk zo ambachtelijk maken, nauw verweven met de geest van waaruit dit alles geschreven. Teken, schrift, druk, boek, plaat, beeld, wit, volume, maat, corps - van welke markten ben je thuis? Hoe groot is je betrokkenheid? Zoemend in de Rover een gedicht, dat begint met de woorden: 'Stel je voor: het is feest. . .' en uiteraard gaat het over 'kijken.' Of ik wat eerder op de Dam wilde zijn, voor de Soweto-herdenking, georganiseerd door fnv en anc; ik zegde mijn zegje. Gedichten met kinderbloed geschreven, onschuldige slachtoffers, gillen en janken dichter bij de afschuwelijkheid. Ik enumereer een leven lang strijd.

dinsdag 10 juni 2014

S.A. Buddingh -- 11 juni 1857

S.A. Buddingh (1811-1869)-- Dagboek mijner overland-mail-reis van Batavia naar Nederland, via Triëst, in 1857.

Op den 11den Junij 1857 begaf ik mij met mijne vrouw aan boord van de stoomboot Koningin der Nederlanden, kapitein Prins, naar Singapore, ten einde van laatstgemelde plaats met de steamers der Peninsular en Oriental Company naar Alexandrië en verder met de steamers der Oostenrijksche Lloyds naar Triëst te vertrekken, en van hier de reis naar Nederland voort te zetten. Ik had te Batavia onze passage-gelden tot Triëst toe betaald ten kantore van de Agenten der gemelde stoomboot-maatschappijen, ten bedrage van ƒ 3050 Ned. Ct. De heer A. Fraser, lid der firma Maclaine, Watson en Co. d.i. van het bedoelde Agentschap, gaf mij op mijn verzoek een' vriendelijken aanbevelingsbrief mede aan den heer H. T. Marshall, Agent der P. en O. Company te Singapore, terwijl een mijner vrienden te Batavia, de heer Zorn, lid van het huis E. Moorman en Co., mij zoodanige brieven medegaf voor zijne vrienden en handels-correspondenten te Singapore, Ceylon, Alexandrië en Triëst. — Een paar dagen te voren had ik eenig Engelsch geld (Sovereigns) in plaats van mijn Nederlandsch-Indisch geld ingewisseld, naar de reden van f 12—25 of ƒ 12—30 per Sovereign.
In den vroegen morgen dan van den 11den Junij ging ik, gelijk gezegd is, aan boord van de Koningin der Nederlanden. De heer de Bruin Kops, luitenant ter zee der 1ste klasse, havenmeester te Batavia, had de goedheid mij zijne sloep af te staan om het stoomschip te bereiken; doch, aan de plaats der inscheping gekomen, had de heer jhr. Ridder de Stuers de vriendelijkheid om ons passage te verleenen aan boord van het hem toebehoorend stoomschip Tjitarum, en ons, in gezelschap van twee onzer medereizigers naar Nederland, naar de Koningin over te voeren. Zoowel aan hem, als aan de bovengenoemde heeren Zorn, Fraser en de Bruin Kops wordt in deze regelen onze innige dank openlijk toegebragt.

Ten 8 uur werd het anker der Koningin geligt, en liepen we weldra de reede van Batavia met hare vele schepen uit het gezigt, en stoomden met eene vaart van 7 mijlen langs de eilanden Noordwachter, Zuidwachter en de Buizend-eilanden. Ons reisgezelschap bestond uit de familiën van der Hucht en Ker, en de heeren dr. G. Voigt, laatstelijk Chef der geneeskundige dienst in N. Indië, J. A. Ruhle, en dr. L. K. Meijer, officier van gezondheid der 2de klasse, benevens eenige Hollandsche, Fransche en Amerikaansche schipbreukelingen. Onder deze laatsten waren 2 scheepsgezagvoerders.

maandag 9 juni 2014

Paul Groot -- 10 juni 2013

• De Nederlandse wetenschapper Paul Groot (1977) is hoogleraar sterrenkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Voor 'De jonge akademie' hield hij twee weken een dagboek bij.

Maandag
Het plan was om vandaag naar Nijmegen te gaan om op de Afdeling Sterrenkunde te werken. Omdat ik in Amsterdam woon, betekent dat om zeven uur opstaan, om acht uur de rechtstreekste trein naar Nijmegen pakken, kwart over acht laptop open en werken. Aankomst Nijmegen om kwart voor tien en dan rond een uur of zes weer de reis naar huis aanvangen. Rond acht uur thuis, eten koken (elke dag vers!), filmpje of serie kijken, en rond half elf gaat het licht dan wel weer uit.
Maar het leven verloopt nooit zoals je hoopt. Donderdag is de moeder van mijn beste vriendin overleden, en vandaag is de begrafenis. Rond 10 uur dus naar Alkmaar voor de uitvaartdienst en de begrafenis, op de begraafplaats achter de kerk waar ook mijn eigen vader begraven ligt. We grappen nog dat ze, net als in het echte leven, ook nu weer buren zijn, met een paadje er tussen.
De begrafenis duurt langer dan gedacht, dus 's middags pas laat weer thuis, en alleen tijd om de Masters thesis van één van mijn studenten te corrigeren. Thuis op de scanner leggen en via de Dropbox naar haar toegestuurd. Moderne technieken zijn soms heel handig.
Zelfs als professionele astronomen kunnen we blijven genieten van science fiction, dus voor maandagavond samen met vriend en collega Simon Portegies Zwart (hoogleraar in Leiden) afgesproken om naar de nieuwe Star Trek film te gaan. Relaxed in 3D IMAX, en niet al te veel ergeren aan de onwaarschijnlijkheden of fysische onmogelijkheden. Ik heb lang geleden van mijn vrienden geleerd dat ik niet bij elke science-fiction film de hele tijd moet roepen 'Dat kan helemaal niet', want dan hou ik geen vrienden meer over...

Etty Hillesum -- 9 juni 1942

Etty Hillesum (1914–1943), geboren in een Nederlands-joodse familie, kreeg bekendheid door de publicatie van haar dagboek, 38 jaar nadat zij in Auschwitz werd vermoord.

9 juni, dinsdagavond half 11. Vanochtend aan het ontbijt min of meer uitvoerige berichten over de toestand in de Jodenbuurt. 8 Mensen in een kleine kamer met alle geriefelijkheden van dien. Nog niet te overzien en te bevatten alles en nauwelijks voor te stellen dat dit enige straten verder zich allemaal afspeelt en dat dit alles je eigen voorland is. En vanavond, op dat stukje wandeling van zijn vegetarische Zwitser tot aan zijn steeds wilder groeiende geranium, vroeg ik hem plotseling: Zeg me toch eens, wat moet ik met de schuldgevoelens beginnen die me bevangen wanneer ik hoor dat mensen met z'n achten in een nauwe ruimte moeten leven, terwijl ik die ene grote zonnige kamer voor mij alleen heb? Hij keek me toen beslist een beetje duivels van terzijde aan en zei: Twee dingen zijn mogelijk: óf je moet die kamer verlaten (en hij keek me zo ironisch-onderzoekend aan, met een uitdrukking van: ik zie je al gaan) óf je moet eens nagaan wat er eigenlijk achter die schuldgevoelens schuilt. Misschien een gevoel dat je vindt dat je niet genoeg werkt? En toen werd het me opeens duidelijk en ik zei:Ja, zie je, ik vertoef in mijn werk steeds in de hoogste sferen van de geest en wanneer ik over zulke wantoestanden hoor, vraag ik me waarschijnlijk onbewust, en nu trouwens zeer bewust af: zou ik deze manier van werken met dezelfde overtuiging en overgave kunnen voortzetten wanneer ik met 8 hongerige mensen in een smerige kamer woonde? Want dit geestelijke werken, dit intensieve innerlijke leven heeft voor mijn gevoel alleen waarde wanneer het onder alle uiterlijke omstandigheden kan worden voortgezet; en al kan men het dan niet praktisch en met de daad voortzetten, dan toch innerlijk in de voorstelling. Anders is alles wat ik nu doe alleen maar 'Schöngeisterei'. En misschien werkt dit dan even verlammend (vroeger kon zoiets me voor weken verlammen in m'n werk, maar toen geloofde ik waarschijnlijk nog niet in de noodzakelijkheid van dat werk) de angst of ik ook onder zulke omstandigheden nog dezelfde zou zijn. De onzekerheid of ik wel die proef zou kunnen doorstaan. De houdbaarheid van dit Zijn zal ik nog moeten bewijzen, ik zal toch altijd zó moeten leven als ik nu doe, voor sociale werkster of politieke omwentelaarster deug ik niet, dat kan ik nu wel voorgoed uit m'n hoofd zetten, al zouden je schuldgevoelens je ertoe kunnen brengen toch die paden te gaan.
Dit zei ik natuurlijk niet allemaal tegen hem op dat kleine stukje wandeling. Ik zei alleen: Misschien is het de angst dat ik de proef niet zal kunnen doorstaan. En hij, heel ernstig en zeer gefaszt': Die proef zal voor ons allen nog komen. En toen kocht hij 5 kleine rozeknoppen en stopte ze in m'n handen en zei: Sie erwarten nie etwas von der Auszenwelt und darum empfangen Sie immer etwas.

William C. Skinner -- 8 juni 1888

William Cobbett Skinner (1857-1947) was een Amerikaanse zijdefabrikant. In 1888 hield hij een dagboek bij.

June 8, 1888, Friday
Beautiful day - Arrived in Chicago on time 9:50 A.M. Chicago time and sent my satchel to the Hotel Richelieu and went myself to the store where I find everybody & eveything. O.K. – Arthur Warren is here in this city at the Palmer and I think I shall leave the Richelieu and go to the Palmer - the Richelieu is with a European plan $3.00 per day for room – it is a very swell hotel overlooking the lake – Took a bath at the Palmer House .50 cts. very good as I am awful dirty as the ride here has been very dusty.

June 9, 1888, Saturday
Beautiful day but very warm – Recd. letter from Father saying everything was going on splendidly at the house – Store closed early it being Saturday so Luce [Austern] & I went around to see the city – I am very much surprised at the growth of Chicago & the beautiful buildings that have been and are being put up in this respect I think Chicago is ahead of N.Y. City.

zondag 8 juni 2014

Honoré Blijdenstijn -- 7 juni 1941

• Op vrijdag 10 mei 1940 begon de 57-jarige directeur van de Rijkskweekschool in Amersfoort, Honoré Blijdenstijn, in een eenvoudig schriftje, dagelijks te noteren wat hem bezighield. Vijf jaar en 23 schriftjes later hield hij daar mee op.

7 juni 1941 (zaterdag)
Roos is verontwaardigd. Zij is bij den groenteboer Ten Hoeve in den winkel geweest, uit op asperges. Allemaal rommel en nog heel duur ook. De vrouw van Ten Hoeve klaagde haar nood: haar man sjouwde maar af en aan naar Utrecht, naar veiling en grossiers. Maar nergens iets behoorlijks te krijgen. Alle kistjes met prima groenten zijn met een kruis gemerkt en worden gereserveerd voor Duitsland. Er blijft geen goed goed in Holland.

’t Is natuurlijk mogelijk, dat de Duitsers prijzen betalen, die ’t Hollandse publiek niet geven kan. Men denkt echter, dat ’t eenvoudig willekeur is en dat maakt de mensen nijdig. Laten wij ons echter herinneren, dat voor den oorlog onze groenten voor een groot deel onverkoopbaar waren (druiven, tomaten) en voor een appel en een ei weggingen terwijl de tuinders met regeringssteun in ’t leven werden gehouden. Dat was ook een ongezonde toestand, en daarbij een hellend vlak naar een staatsbankroet.

Wij zullen geduld moeten hebben. Als Frankrijk en België weer kunnen leveren zal alles wel weer normaler worden. Nu echter is ’t zo of zij gelijk gaan krijgen, die steeds beweerden (als b.v. Zeeman): Nederland wordt een slavenland in dienst van Duitsland. Ik denk: ’t is schijn; de werkelijkheid zal gunstiger blijken.

De oude Heer Mulder, gecommitteerde, die samen met Den Hartog bij ons ’s avonds op de thee kwam, vertelde een vermakelijk verhaal over een geslaagde smokkeltruc: Een boer had clandestien geslacht en vervoerde een flink kwantum vlees in een kist op een kar naar Deventer; vlak bij de rivier zag hij een contrôle-post. Hij maakte rechtsomkeert en ging naar een boerderij in de buurt, waarvan de boer een kennis van hem was. Hij laadde ’t vlees uit de kist en vroeg een poosje den heemhond te leen. Hij stopte hem in de kist en reed weer richting - Deventer. Hij werd aangehouden; maakte bezwaar de kist te openen. De politie deed ’t zelf. De hond er uit en was bliksemsnel verdwenen in de richting van zijn huis. De boer „lei” ’t geval „uit”. Hij had den hond, die verkocht was, voor zijn vriend meegenomen om hem af te leveren. Nu kon hij hem achternarijden! De politie zat met ’t geval. De boer reed terug, haalde zijn vlees op en reed triomfantelijk met den zegen der politie door den controle-post heen. Se non e vero .... !

Er wordt overal enorm gesmokkeld en naarmate de waren schaarser worden, stijgen de prijzen op de „zwarte markt”.

Roos heeft Toos V. gesproken; die vertelde, dat een familielid van haar, een ingenieur, met zijn auto naar Berlijn was gereden. Hij had er weinig te eten gekregen, maar had overal ongehinderd kunnen rondrijden. Ofschoon hevig Duits–hater moest hij de waarheid zeggen: hij had, ondanks nasporingen, maar weinig van verwoestingen kunnen merken. Het fooienstelsel en de steekpenningen, vroeger door Hitler met groot succes bedwongen, tiert in Duitsland weer welig.

De vrijheid der Joden wordt steeds meer beperkt. Gisteren werd ’t verbod bekend maakt van baden in openbare badplaatsen, vertoeven aan ’t strand en wandelen in publieke wandelplaatsen. Nettie Coppens heeft haar zwemclubje vaarwel moeten zeggen. ’t Is hard voor de mensen d.w.z.: ’t gevoel paria te zijn.

Dezelfde Duitsers zijn weer in ’t huis naast ons verschenen.

De MULO-onderwijzer in Rotterdam die wegens illegale actie (Geuzenvendel) is doodgeschoten, liet een vrouw in blijde verwachting en enige jonge kinderen na. De vrouw werd 10 dagen na de bevalling door de Gestapo in arrest genomen. Daar de moeder onwaardig gekeurd werd na eventuele vrijlating haar kinderen op te voeden, zijn deze bij NSB-families ter opvoeding ondergebracht. (Kruith)

De Chr. Kweekschool te Sneek (directeur Wijtzes) is gesloten, omdat enige leerlingen der school de Wehrmacht hadden uitgejouwd. Dit feit had plaats buiten bereik der school. Directeur en leraren zijn op vrije voeten gebleven (Gilhuis).

Vanmiddag nadat de gecommitteerden afscheid genomen hadden werd ik door Kruithof toegesproken en gefeliciteerd bij gelegenheid van mijn 40-jarige ambtsvervulling. Het was eenvoudig en plechtig tevens. Hij doorliep mijn loopbaan in grote trekken met enkele humoristische bijzonderheden en prees mijn werk voor de Kweekschool in Amersfoort. ’t Doet goed dat te horen - en - ’t was oprecht en warm. Ik kreeg als herinnering Knuttel ’s geschiedenis der Nederlandse schilderkunst, waaraan allen, Willemsen incluis, hadden bijgedragen. Een mooi cadeau geschonken met oprechte gevoelens.

Na afloop zijn wij naar de Witte gegaan en hebben er samen, ook Willemsen nog een half uurtje gezellig aan een grote ronde tafel gezeten. Ds Gerritsen was ook van de partij. De vrouwen hebben ’t eten lang warm moeten houden.

donderdag 5 juni 2014

Willem Oltmans -- 6 juni 1962

Willem Oltmans (1925-2004) was een Nederlandse journalist. Zijn dagboeken (76 delen) zullen in hun geheel online worden gezet bij de dbnl. De papieren versie wordt uitgegeven on der de titel Memoires.

Amsterdam - 6 juni 1962
Ik dineerde deze avond met Lunshof in Die Port van Cleve. Ik wilde hem over zijn suggesties van justitiële maatregelen tegen Rijkens en Van Konijnenburg spreken. Ik vond dit geschrijf volmaakt belachelijk. Ik begrijp wel dat Luns hem hiertoe in zijn rage tegen de Rijkens- en Bilderberg-groepen had opgestookt. Ik had mijzelf in feite geheel van de groep gedistantieerd na het her-verschijnen ten tonele van Werner Verrips. Mijn laatste vlucht naar Nederland in groep-Rijkens-verband en door de groep betaald, was de reis op verzoek van Zain en Yamin gemaakt, om Van Konijnenburg te waarschuwen, dat Verrips geen acceptabele tussen-figuur was voor de Indonesische diplomatie. Medio 1962 had ik al vele maanden geen noemenswaardig contact meer met Van Konijnenburg, laat staan dat wij elkaar wederzijds van ontwikkelingen op de hoogte hielden. Als gezegd, de Nieuw-Guinea-affaire interesseerde mij niet meer nu onderhandelingen op gang waren gekomen.
Lunshof: ‘Ik eis nu het aftreden van Van Konijnenburg als klm-directeur. Wij geven als Nederlanders immers 86 miljoen gulden per jaar aan de klm?’ Ik vroeg hem of hij wist dat Konijn nog onlangs 5 miljoen gulden van Indonesië voor de klm had losgekregen. ‘Die hadden wij ook zelf nog wel kunnen betalen,’ aldus de hoofdredacteur van Elseviers. Ook in zijn anti-Konijnenburg-actie herkende ik de instigator van het leed, Luns. Het zou de heren dan ook lukken Van Konijnenburg bij de klm weg te pesten.
Waarom had Lunshof via de omweg van een Bilderberg-conferentie zo'n zware aanval op de prins gelanceerd? Hij antwoordde: ‘Kijk, Oltmans, zijn voorganger prins Hendrik, die hield van een pretje, die dronk, zo hoort het!’ Lunshof vervolgde: ‘Ik heb de prins eigenlijk gespaard. Je kan zo'n man toch niet aanvallen op een manier, dat hij alleen nog de tuin van Het Loo kan wie'den (op zijn Drents).’ Er kwamen nog meer Lunsiaanse meningen boven: ‘Van Roijen moet verdwijnen! Die man heeft Indië immers weggegeven met zijn mooie Van Roijen-Roem-overeenkomst.’ Ook was Lunshof van mening dat president Sukarno in Indonesië snel moest opkrassen. Generaal Nasution diende hem te vervangen. ‘Met Sukarno kunnen wij immers nooit tot zaken komen.’ Lunshof zwamde Ujeng Suwargana ook nog na.

woensdag 4 juni 2014

Henri Pirenne -- 5 juni 1916

• Henri Pirenne (1862-1935) was een Belgisch historicus en hoogleraar. In de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

Lundi 5 juin
Vent et poussière amortissable.
Donné mon drap de lit a laver et une paire de bottines a raccommoder, No 53.
Acheté une cafetière 0.99 Pf.
10 1/2 seconde leçon d'histoire économique.
Ecrit à Muller et reçu une carte de lui.
On nous distribue des cartes postales chargées d'annoncer à oeux dont on reçoit du pain qu'ils cessent désormais les envois individuels. II n'y aura plus que des envois collectifs. On dit qu'on distribuera du pain ainsi arrivé à lout le monde. J'adresse ma carte à l'Internationales Liebeswerk de Maastricht.
Travaillé.
Mon lit se compose d'une palliasse reposant sur le filet de Van Stratum, d'un drap de lit, d'une house a carreaux bleus ei blancs contenant deux minces couvertures, plus de ma couverture de voyage. J'ai fait laver aujourd'hui l'unique drap de lit. La pluie a empêché qu'il fut sec ce soir. Eugène a retiré les deux couvertures dc la housse, et je m'y suis glissé à leur place pour passer la nuit. Les leçons ont commencé aujourd'hui au quartier beige.
Echecs le soir au café. Je gagne 1 partie et en perds 1.
2 cartes de Muller. Il fait allusion à une lettre que je n'ai pas reçue (Je l'ai reçue le 8).

dinsdag 3 juni 2014

James Woodforde -- 4 juni 1776

James Woodforde (1740-1803) was dominee in het dorp Weston Longville in het Engelse Norfolk. Hij hield 44 jaar een dagboek bij; gedeeltes daaruit zijn gepubliceerd als The Diary of a Country Parson 1758 – 1802.

June 4. I breakfasted, dined, supped and slept again at Weston. My tooth pained me all night, got up a little after 5 this morning, & sent for one Reeves a man who draws teeth in this parish, and about 7 he came and drew my tooth, but shockingly bad indeed, he broke away a great piece of my gum and broke one of the fangs of the tooth, it gave me exquisite pain all the day after, and my Face was swelled prodigiously in the evening and much pain. Very bad and in much pain the whole day long. Gave the old man that drew it however 0. 2. 6. He is too old, I think, to draw teeth, can't see very well.

 June 5. I breakfasted, dined, supped and slept again at Weston. Very much disturbed in the night by our dog which was kept within doors tonight, was obliged to get out of bed naked twice or thrice to make him quiet, had him into my room, and there he emptied himself all over the room. Was obliged then to order him to be turned out which Bill did. My face much swelled but rather easier than yesterday tho' now very tender and painful, kept in today mostly. Paid and gave Will my servant this evening 0.5.0. Paid Mr. Dunnell this evening part of a bill due to him from me, for 1 cows, 3 Piggs, 3 p'. Shoes, Flower, Tea, Sugar, News Papers, Pipes, Candles, Pan, Tobacco, Beer, Mustard, Salt, Washing, Halters, Comb and Brush, Crabs, Bread and Porterage of £14. 9. 3. the sum of a Bank Note - of - £10.0.0.

maandag 2 juni 2014

Gladys Cooper -- 3 juni 1966

Gladys Bolon Cooper (1899-1989) was een Amerikaanse huisvrouw. Ze hield zo'n 50 jaar een dagboek bij.

TUESDAY. MAY 31.1966 A day we won't forget. A call at 6.30 thar Ralph had died about three o'clock. We had thoght he was improving from his coronary two weeks ago. Had to call all the children. Canceled my trip to New Orleans. We took Jennie to Cumberland - home at two. Then Charles went down to get our tickets and I went to beauty parlor. Had to call Frieda to tell her what flight we would be on. Had to take first class reservations that cost us more.

WEDNESDAY, JUNE 1,1966 Up at quarter 'till five. Left for airport at six. We left car at airport. Had a nice flight to Chicago - a two hour wait there. Another good flight on to Phoenix. Flo and Tom [Nelson; Flo was a cousin of Gladys' from Cumberland originally, but had lived in Phoenix for many years] met us and took us out to ranch. Hard to realise Ralph is gone. Some of their friends here in evening. Tired. Had to turn our watches back two hours.

THURSDAY. JUNE 2, 1966 We took rolls and coffee over and had breakfast with Mother [Stewartl. Margie [Ralph's daughter) loaned us her car and we went to Flo and Tom's. They took us to see silver that had been recovered trom U.S.S. Arizona, and on a long drive, then to a Swedish Restaurant for lunch. We all went in about five to see Ralph and had dinner after we came home. [Charles told me once that it seemed very strange to see his identical twin brother in his coffin - almost like seeing himself there]

FRIDAY, JUNE 3, 1966 A very sad day- Ralph's funeral. It was a beautiful service, over 100 floral pieces. Some of men from Ralph's board [Ralph, a rancher all his life, also served on the board of a local bank later in life] came for lunch - thirty here for lunch - all Ralph's family. In the evening we walked over to Joe's. [Joe and Carol, and Mother Stewart both had their own houses on the ranch. Joe was Ralph's older son], Frieda showed some pictures of their trip.

zondag 1 juni 2014

Käthe Kollwitz -- 2 juni 1923

Käthe Kollwitz (1867–1945) was een Duitse kunstenares. Haar dagboeken zijn gepubliceerd onder de titel Die Tagebücher.

2. Juni 1923 Plivier war eben hier. Verändert, mager, blaß, mit großem Bart. Er sagte mir, daß seine Viktoria, die Thora, dieses entzückende liebliche Kind gestorben sei. 2 1/2 Jahre alt. Das ist jetzt das zweite Kindchen, das sterben mußte, erst das Peterle Gampp und nun diese liebliche Thora Plivier.
Ich fragte nach der Frau und er erzählte, daß sie das tote Kind in einer warmen Welle um sich gefühlt hätte, zugleich hätten die Worte sie durchschossen: »Der Tod ist verschlungen in den Sieg.« Diese arme und rührende Flucht der Eltern in mystische Zustände, Ekstasen, die für Momente den Schmerz verhüllen und verklären. Dann kommt er wieder mit doppelter Gewalt. - Plivier will nun am 1. Juli Gesinnungsfreunde treffen und mit denen durchs Land ziehn, predigend und redend. Er sagt es gibt viele Arbeitslose jetzt, die es so machen. Einmal die Stromer, wie es sie immer gab, dann aber die Apostel, die Berufenen. Seltsame Zeit, wie im Mittelalter zu Beginn der Bauernkriege.
Am Abend sind Georg Lise Max und seine junge Braut Annie Karow hier. Sie ist ein einfach und gut aussehendes Madchen mit warmen dunklen Augen.
Gespräch mit Karl über Else.

Jaap Bijvoet -- 1 juni 1916

• Bloembollenhandelaar Jaap Bijvoet (1873-1948) maakte in 1916 een zakenreis naar de Verenigde Staten, en hield van die reis een dagboekje bij.

27 Mei Omstreeks half twaalf steekt de "Rijndam"van wal.

28 Mei Zondag, prachtig weer. Kennis gemaakt met een zekere Mr: Ganz, fabrikant van knoopen, en een zekere Mrs Daams die naar haar man gaat, een Ingenieur van de Bataafsche Petroleum Mij.

29 Mei Wij varen langs de kust van Noorwegen. Brieven aan Mien, Fons, Mia en Albert. Briefkaarten aan Jan, Jaap en Sim. 's Middags een koppel bruinvischen, 's nachts noorderlicht.

30 Mei Kirkwall, vol schepen. De Andijk (met chilisalpeter ligt er reeds veertien dagen). De Westerdijk kwam een paar uur na ons. Het is mooi weer maar koud, merkbaar noordelijker. S'middags vertrokken we weer nadat de post eruit gehaald is.

31 Mei Woensdag. Boven langs Schotland. Prachtig weer,maar koud. 's Middags mist en regen.

1 Juni Langs de Iersche kust. Mistig en regen. 's Middags mooier (Hatpool 9). Mooie rotsen. Om 9 uur passeerden we Fast Rock Lighthouse.

2 Juni Vrijdag. S'morgens in Falmouth aangekomen. Een prachtige kust. Brieven aan Mien, Mia, moeder Dieuwert.

3 Juni Zaterdag om twee uur zee in.