woensdag 28 november 2012

C.O. Jellema -- 28 november 1979

28 november 1979
Vannacht wakker geworden uit een droom met een lang aanhoudend geluksgevoel. Hans had een kasteel gekocht, in Overijssel, tussen de weilanden buiten het dorp. Het ligt hoog binnen een gracht. Het is verwaarloosd, maar best bewoonbaar. Een ridderzaal, waar nog een gedeelte van de middeleeuwse meubels in staat en waar nog prachtige oude vloerkleden op de grond liggen, een tuinkamer uitziend op een hof. We dwalen door het gebouw. Er zijn tal van deuren, waarvan ik niet weet waar ze heen leiden. Max en de kinderen zijn er ook bij en zijn vol lof, maar ik wou maar dat ze weggaan, dan kan ik alles rustig alleen bekijken en in bezit nemen. Aan het eind van een gang liggen twee kamers naast elkaar, verbonden door een tussendeur. De ene staat vol oude muziekinstrumenten. Op het eerste gezicht lijken het spinetten, klavecimbels en kleine vleugels. Het blijken slechts pianola's en muziekdozen te zijn.
Tingeltangels. We besluiten van die beide kamers onze studeerkamers te maken. Ik open een kastdeur; daar staat een oude levensgrote pop, gekleed in de livrei van het slot, slobkousen, een blauwgrijze broek, het jasje half vergaan - de kop kaal, als bij Oskar Schlemmer. Een stuk vergane zijde waait in m'n keel, ik verslik me erin, hoest het weer uit. Dan word ik wakker, probeer nog een hele tijd het geluksgevoel vast te houden.


C.O. Jellema (1936-2003) was dichter en essayist. In 2009 verscheen een keuze uit zijn dagboeken onder de titel Een web van dromen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen